De rentebenchmark transitie vraagt nu om actie |
close
Share with your friends

De rentebenchmark transitie vraagt nu om actie

De rentebenchmark transitie vraagt nu om actie

Vanaf 2020 verdwijnt een aantal toonaangevende rentebenchmarks, de beschikbaarheid van nieuwe rentebenchmarks is nog onzeker en de impact van deze transitie op financiële instellingen is enorm. Wat kunnen financiële instellingen nu al doen ondanks de huidige onzekerheid betreffende dit onderwerp?

Partner

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

Infographic libor

Aanleiding

Met de aanstaande transitie van bestaande rentebenchmarks naar nieuwe nog in ontwikkeling zijnde benchmarks, staat de financiële sector aan de vooravond van een ingrijpende transitie. De aanleiding voor de transitie voert terug naar de LIBOR-affaire die aan het licht kwam in 2012. Hierbij leverden banken bewust onjuiste data aan voor de totstandkoming van de LIBOR, om te profiteren van openstaande posities die op LIBOR gebaseerd waren. Desondanks bleven de LIBOR en vergelijkbare andere internationale rentebenchmarks, zoals de Europese EURIBOR en de Japanse TIBOR, cruciale benchmarks voor een veelheid van financiële producten.

Initiatieven tot hervorming

Vanaf augustus 2012 hebben toezichthouders hervormingsmaatregelen geïnitieerd om de door manipulatie aangeslagen reputatie van rentebenchmarks te herstellen. Naar aanleiding van de Wheatley Review van LIBOR, staat de LIBOR sinds april 2013 onder direct toezicht van de UK-toezichthouder en is de administratie van LIBOR overgedragen van de British Bankers' Association (BBA) naar een private partij (ICE). De International Organization of Securities Commissions (IOSCO) heeft in 2013 principes gepubliceerd voor de administratie, berekening en transparantie van financiële benchmarks. De Financial Stability Board (FSB) heeft in 2014 aanbevelingen gedaan om bestaande benchmarks te versterken en nieuwe risicovrije benchmarks te ontwikkelen. De Europese Commissie heeft vervolgens een verordening ontwikkeld ten aanzien van financiële benchmarks, die sinds 1 januari 2018 van kracht is en eisen stelt aan de governance, berekeningswijze, data en transparantie van rentebenchmarks.

Deze hervormingsmaatregelen hebben een significante invloed gehad op de bestaande rentebenchmarks. Ondanks de hervorming van LIBOR, kondigde Andrew Bailey, voorzitter van de Financial Conduct Authority (FCA), aan dat panelbanken vanaf 2022 niet meer verplicht worden om data aan te leveren. Dit betekent in principe het einde van LIBOR. De reden voor deze aankondiging is het beperkte transactievolume waarop de LIBOR is gebaseerd en daardoor de te grote afhankelijkheid van zogenaamde 'expert judgement' door de betrokken banken. Vanwege de toegenomen compliancerisico's toonden de betrokken banken ook al afnemende behoefte om data aan te leveren.

De twee grootste benchmarks uit de Eurozone, EONIA en EURIBOR, voldoen niet aan de Europese benchmarkverordening. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft inmiddels aangekondigd dat de EONIA niet wordt hervormd en dus komt te vervallen en dat de EURIBOR hervormd gaat worden. Ondanks dat de EURIBOR hervormd wordt, heeft de ECB haar twijfel uitgesproken over de houdbaarheid op langere termijn van de EURIBOR gezien de blijvende afhankelijkheid van 'expert judgement' bij onvoldoende data. De EONIA en EURIBOR worden in hun huidige vorm nog gedoogd tot 31 december 2019 onder de benchmarkverordening.

Als gevolg van de (mogelijke) verdwijning van deze rentebenchmarks hebben toezichthouders de financiële sector opgeroepen tijdig alternatieve risicovrije benchmarks te ontwikkelen.

Ontwikkeling alternatieve benchmarks

De financiële sector heeft deze oproep gehoord en is begonnen met de ontwikkeling van alternatieve risicovrije rentebenchmarks. Omdat er in de Eurozone aanvankelijk beperkte voortgang was, is de ECB in september 2017 een werkgroep met marktpartijen gestart. Deze werkgroep kondigde na consultatie met de markt op 13 september jongstleden aan dat zij voor de Eurozone de Euro Short-Term Rate (ESTER) als benchmark voorstelt ter vervanging van EONIA. ESTER is een risk-free rate, gebaseerd op individuele transacties, zoals gerapporteerd door banken onder de bestaande Europese Money Market Statistical Reporting-verordening.

In de Verenigde Staten is vanaf 2014 de nieuwe Secured Overnight Financing Rate (SOFR) ontwikkeld als vervanger van USD LIBOR. Recentelijk heeft een aantal banken de eerste obligaties uitgegeven die zijn gebaseerd op SOFR. In Groot-Brittannië, Zwitserland en Japan hebben lokale autoriteiten de SONIA, SONAR en respectievelijk TONAR geselecteerd als meer geschikte vervanger van bestaande lokale benchmarks. De basis voor deze voorgestelde rentebenchmarks verschilt in een belangrijk opzicht van de huidige basis van de benchmarkrates. Zo worden naast interbancaire transacties ook transacties met bijvoorbeeld pensioenfondsen en verzekeraars meegewogen. Overigens verschilt de SOFR ten opzichte van andere voorgestelde benchmarks in die zin dat SOFR is gebaseerd op 'secured' transacties (dus met onderpanden), terwijl de andere benchmarks zijn gebaseerd op 'unsecured' transacties.

Impact

De bestaande benchmarks worden wereldwijd gebruikt door zowel retail, corporate en wholesale banken als marktpartijen zoals verzekeraars, pensioenfondsen en clearing houses. Het volume aan transacties is enorm, eerder door de FSB ingeschat op 370 biljoen en worden gebruikt in een breed scala aan producten waaronder leningen, hypotheken, obligaties, floating rate notes, deposito's, securitisaties, derivaten, repo's en securities financing-transacties. Daarnaast gebruiken financiële instellingen de rentebenchmarks intern voor het verdisconteren van kasstromen voor pensioenen, belastingen, verzekeringen en leases. Ten slotte worden de bestaande rentebenchmarks gebruikt voor interne finance-processen, verrekeningen of beloningen. Dit betekent dus dat niet alleen banken, maar ook verzekeraars, pensioenfondsen, vermogensbeheerders en clearinginstellingen geraakt worden en zich moeten voorbereiden op een transitie naar nieuwe rentebenchmarks.

Onzekerheid in de markt

Een van de grootste uitdagingen in de komende periode is de onzekerheid rondom de benchmarkrates. Ondanks dat de SOFR-tarieven in de Verenigde Staten, de SONIA-tarieven in Groot-Brittannië en een voorloper van het nieuwe Europese ESTER-tarief (de 'Pre-ESTER') reeds beschikbaar zijn voor de markt, wordt brede adoptie van de nieuwe rentebenchmarks in nieuwe transacties waarschijnlijk bepaald door de snelheid waarmee een aantal grote partijen de nieuwe tarieven de komende periode gebruikt in transacties en uitgiftes. De eerste SOFR-transacties in de Verenigde Staten zijn inmiddels een feit, maar in Europa is dat nog niet het geval. Daarnaast is de tijdlijn een mogelijk probleem in Europa. Daar waar de ECB eerder nog aankondigde de nieuwe ESTER te willen publiceren, uiterlijk oktober 2019, heeft de ESTER-werkgroep onlangs gevraagd hiermee te wachten tot 2022 en om de transitiedeadline van de benchmarkverordening in lijn te brengen met de ontwikkelingen van alternatieve rentebenchmarks. Echter, onder de huidige bepalingen van de benchmarkverordening mogen EONIA en EURIBOR vanaf 1 januari 2020 niet meer bestaan in hun huidige vorm.

Een andere onzekerheid is de beschikbaarheid van rentetermijnstructuren op basis van de nieuwe benchmarks. De markt kent op dit moment verschillende variabele rentetarieven, variërend van een week tot een jaar, echter de ontwikkeling van een rentetermijnstructuur op basis van de nieuwe benchmarks staat nog in de kinderschoenen. Dit wordt mede bepaald door de snelheid waarmee bijvoorbeeld futures op de nieuwe tarieven verhandeld worden. Ook hier lopen de Verenigde Staten voor met de eerste SOFR future-noteringen op de CME. Terwijl de markt werkt aan rentetermijnstructuur op basis van de nieuwe benchmarks, sturen de FSB en de ESMA aan op het eenduidig gebruik van de overnight benchmarks zoals SOFR, ESTER en SONIA voor producten waar dat kan, bijvoorbeeld de derivatenmarkt. Voor andere producten zal de markt nog steeds behoefte hebben aan een rentetermijnstructuur.

De transitie is voor de betrokken belangenorganisaties uit de financiële sector, waaronder de International Swaps and Derivatives Association (ISDA), aanleiding geweest te werken aan nieuwe juridische bepalingen waar marktpartijen op kunnen terugvallen (de zogenoemde fall-backs) zodra de bestaande benchmarks eindigen. ISDA heeft hiertoe op 12 juli jongstleden een consultatie geïnitieerd die de alternatieven uiteenzet voor een dusdanige aanpassing van 'legacy' derivatencontracten naar de alternatieve referentierentes, dat de oorspronkelijke intenties van die derivatencontracten zo goed mogelijk geborgd blijven. Tijdige afronding en helderheid van deze bepalingen kan het startschot zijn voor de adoptie van de nieuwe benchmarks.

Ten slotte is het de vraag welke rol de toezichthouders spelen bij dit onderwerp de komende jaren. In Groot-Brittannië hebben de Prudential Regulation Authority (PRA) en de FCA gezamenlijk een duidelijk signaal afgegeven aan financiële instellingen met de recente 'Dear CEO'-brief. Instellingen dienen vóór medio december 2018 inzage te geven in de voorbereidingen op de transitie naar nieuwe rentetarieven. In Nederland nemen de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) vooralsnog een afwachtende houding aan op dit onderwerp. De transitie naar nieuwe rentetarieven zal primair een door de markt gedreven verandering moeten zijn en de toezichthouders zullen enkel de voortgang van de transitie monitoren om te voorkomen dat de stabiliteit van de sector in gevaar komt.

Noodzakelijke vroegtijdige voorbereidingen door marktpartijen

Het risico van de benchmarktransitie is hoog, gegeven het volume aan transacties en openstaande posities, de eerder beschreven onzekerheden en de brede en diepgaande impact die de benchmarks hebben op financiële instellingen. Ondanks alle onzekerheid, kunnen financiële instellingen nu al beginnen met het zetten van eerste stappen voor de voorbereiding van de transitie. Alleen al het inventariseren van de bestaande contracten en bijbehorende juridische fall-backbepalingen vergt een enorme inspanning. Daarnaast vraagt een grootschalige verandering als deze om een gedegen projectstructuur waarbij alle geraakte afdelingen moeten worden betrokken voor adequate betrokkenheid en eigenaarschap. Ten slotte kan niet vroeg genoeg gestart worden met het informeren van klanten. Het aanpassen en heronderhandelen van bestaande contracten moet zorgvuldig verlopen, zeker voor klantgroepen die op dit onderwerp een kennisachterstand hebben en de juiste bescherming nodig hebben.

Meer lezen over rentebenchmarking? Lees hier het vervolg: Rentebenchmark transitie: alert #1.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig