Dividendbelasting en pensioenlichamen |
close
Share with your friends

Dividendbelasting en pensioenlichamen

Dividendbelasting en pensioenlichamen

Een toelichting op recente ontwikkelingen en de gevolgen hiervan voor binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen

Senior tax manager

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

Tree with roots

Het zou mooi zijn als op Europees niveau een inhoudingsvrijstelling van bronbelasting voor pensioenfondsen werd ingericht. Het maakt voor een pensioenfonds dan niet uit of in het binnenland of in het buitenland wordt belegd (EU-breed is sprake van gelijke behandeling). Bronbelasting kan niet meer blijven `hangen', een inhoudingsvrijstelling geeft pensioenfondsen een liquiditeitsvoordeel dat bij een teruggaveprocedure ontbreekt, het levert een belangrijke administratieve lastenverlichting op, dus betere rendementen zijn bereikbaar. Dat is optimaal voor pensioenfondsen, goed voor het niveau van de pensioenvoorzieningen in heel Europa, gunstig voor de overheden van alle EER-lidstaten en het bevordert bovendien de werking van de interne markt. In dit artikel een toelichting op recente ontwikkelingen in Nederland (met name het nieuwe Besluit subjectieve vrijstelling van pensioenlichamen en de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting), en de gevolgen van die ontwikkelingen voor buitenlandse pensioenfondsen die beleggen in Nederland en uiteraard ook voor Nederlandse pensioenfondsen.

Vennootschapsbelastingplicht van pensioenfondsen

De vennootschapsbelasting is, net zoals de dividendbelasting, een van de belastingen waar pensioenfondsen mee te maken kunnen krijgen. In tegenstelling tot wat veel mensen denken is een Stichting Pensioenfonds in beginsel belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, omdat pensioenfondsen geacht worden een onderneming te drijven. Onder voorwaarden kunnen zowel Nederlandse als in het buitenland gevestigde pensioenlichamen echter subjectief vrijgesteld zijn.

Vereisten voor de subjectieve vrijstelling

De subjectieve vrijstelling is van toepassing indien aan de volgende eisen wordt voldaan:

  • doelstellingseis: het moet gaan om de verzorging van de (ex-)werknemer bij ouderdom en/of invaliditeit en/of diens nagelaten betrekkingen. Het mag ook gaan om een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse regeling;
  • werkzaamhedeneis: de werkzaamheden van het pensioenfonds houden voor ten minste 90% verband met het uitvoeren van pensioenregelingen (of regelingen voor vervroegde uittreding);
  • winstbestemmingseis: eventuele winsten moeten worden aangewend ten bate van de verzekerden, een vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang. Er is een uitzondering voor een uitkering van ten hoogste 5% per jaar over het gestorte kapitaal of de inleggelden.

Indien niet wordt voldaan aan een van deze voorwaarden, of men wordt geacht een daarvan te hebben overtreden, dan wordt het pensioenfonds voor 100% belastingplichtig.

Pensioenfondsen en dividendbelasting

Pensioenfondsen kunnen ook te maken krijgen met de dividendbelasting: een bronbelasting die in beginsel wordt ingehouden bij een dividenduitkering. Belastingplichtigen kunnen de ingehouden bronbelasting verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting, wat eventueel ook kan leiden tot een teruggave van de te veel ingehouden dividendbelasting. Indien wordt belegd in buitenlandse waarden, wordt in veel gevallen de omvang van de buitenlandse bronbelasting door een bilateraal verdrag beperkt en is het overige doorgaans verrekenbaar.

Lichamen die niet onderworpen zijn aan de heffing van vennootschapsbelasting, zoals pensioenfondsen, lopen echter het risico dat buitenlandse bronbelasting blijft `hangen'. Dit is uiteraard geen optimale situatie, nu deze toekomstige uitkeringen bedoeld zijn om te voorzien in het inkomen van gepensioneerden en in principe belastingbaten genereren voor de overheden. De meeste EU-pensioenlichamen zijn daarom vrijgesteld van vennootschapsbelasting, krijgen een vrijstelling dividendbelasting aan de bron of kunnen aanspraak maken op een teruggaaf van dividendbelasting.

Teruggaafprocedure in Nederland

Nederlandse lichamen die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, kunnen teruggaaf van ingehouden dividendbelasting claimen. Voor in het buitenland gevestigde lichamen geldt een dubbele niet-onderworpenheidstoets, bestaande uit de:

  • feitelijke niet-onderworpenheidstoets: het lichaam is in het land van vestiging niet onderworpen aan een heffing naar de winst;
  • fictieve niet-onderworpenheidstoets: naar de regels van het bronland (Nederland) zou het lichaam niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen als deze in Nederland was gevestigd.

Indien het een lichaam betreft dat buiten de EER gevestigd is, gelden twee aanvullende voorwaarden:

  • het moet gaan om een bij ministeriële regeling aangewezen derde land waarmee afspraken zijn gemaakt over informatie-uitwisseling; en
  • de ten laste van het buitenlandse lichaam ingehouden dividendbelasting moet betrekking hebben op aandelen die als belegging worden gehouden.

Besluit subjectieve vrijstelling van pensioenlichamen

Per 14 december 2017 is een nieuw besluit inzake de subjectieve vrijstelling van pensioenlichamen voor de vennootschapsbelasting van kracht. Hoewel het een `actualisering' van eerder beleid betreft, lijken de eisen in de praktijk nader ingevuld en meer stringent. De gevolgen van dit nieuwe besluit schetsen wij hieronder.

Oude besluit versus nieuwe besluit

Zowel onder het oude als het nieuwe besluit gold en geldt de eis dat het moet gaan om een pensioenregeling of regeling van vervroegde uittreding die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling of regeling voor vervroegde uittreding. Net als onder het oude besluit is dit onder het nieuwe besluit ter discretionaire beoordeling van de bevoegde inspecteur. Het nieuwe besluit geeft echter nadere criteria waaraan de inspecteur de buitenlandse regeling moet toetsen:

  • de pensioenregeling staat alleen open voor een afgebakende groep deelnemers en heeft in beginsel een verplicht karakter;
  • de pensioenregeling moet voldoen aan de vereisten voor de bescherming en veiligstelling van opgebouwde pensioenaanspraken teneinde bij ouderdomspensioen te kunnen voorzien in een levenslange pensioenvoorziening;
  • de pensioenregeling is gebaseerd op collectief georganiseerde solidariteit.

Er mag geen sprake zijn van een directiepensioenlichaam, een pensioenregeling voor zelfstandigen (behoudens vrijwillige voortzetting van een pensioenregeling door een voormalige werknemer) of om een vorm van buitenlandse sociale zekerheid. Ook zijn een verplichte deelname voor werknemers en een verplichte verzekering vereist.

Het ouderdoms-, nabestaanden- en/of arbeidsongeschiktheidspensioen moet zijn overeengekomen tussen een werkgever en een werknemer op basis van een pensioenovereenkomst. Het buitenlandse pensioen moet voldoen aan enige vorm van salaris-diensttijdnorm en het moet gaan om een levenslang dan wel tot een wettelijk bepaalde maximale leeftijd uit te keren ouderdoms- en partnerpensioen, of om inkomensvervanging bij arbeidsongeschiktheid. Er moet sprake zijn van een afkoopverbod (behoudens voor kleine pensioenen en dan nog alleen in verband met een beperking van de administratieve kosten voor het pensioenlichaam). De pensioenuitkeringen moeten periodiek zijn en luiden in geld.

Deze criteria zijn cumulatief. Geringe afwijkingen van de Nederlandse regels worden toegestaan op het punt van de kring van gerechtigden, en ook de fiscale, sociale en arbeidswetgeving in het buitenland mogen verschillen van de Nederlandse.

Verder moeten onder het nieuwe besluit ook meer stukken worden overgelegd: niet alleen een kopie van de buitenlandse pensioenregeling, de jaarrekening van het lichaam en eventuele andere stukken waarmee aan de inspecteur kan worden aangetoond dat het buitenlandse pensioenfonds opereert onder nagenoeg gelijke voorwaarden als een vrijgesteld Nederlands pensioenfonds, maar ook de statuten en de oprichtingsakte van het buitenlandse pensioenlichaam, alsmede een analyse aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat aan de Nederlandse criteria wordt voldaan

Mogelijke kritiek op de wijze van toetsen

Naar verwachting zullen weinig buitenlandse pensioenlichamen aan de cumulatieve Nederlandse toetsingscriteria voldoen. Zo zullen lang niet alle buitenlandse pensioenregelingen een verplicht karakter hebben en/of gebaseerd zijn op collectief georganiseerde solidariteit, kunnen buitenlandse pensioenregelingen onder andere voorwaarden dan de Nederlandse geheel of gedeeltelijk afkoopbaar zijn en zullen weinig buitenlandse fondsen statutair hebben geregeld dat een liquidatieoverschot moet worden uitgekeerd aan een algemeen nut beogende instelling. In feite wordt geëist dat buitenlandse vrijgestelde pensioenlichamen die in het buitenland kwalificerende en aldaar gebruikelijke regelingen uitvoeren zowel aan de Nederlandse als aan de buitenlandse eisen voldoen.

Dit roept de vraag op of een dergelijk eisenpakket mag worden gesteld en of een en ander niet strijdig is met het EU-recht. Een EU-lidstaat mag een buitenlands pensioenfonds niet slechter behandelen dan een binnenlands pensioenfonds. Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld, maar ongelijke gevallen moeten ongelijk worden behandeld naarmate van ongelijkheid. Een buitenlands pensioenfonds moet krachtens het recht van de staat waar het is gevestigd nu eenmaal aan andere regels voldoen dan een Nederlands pensioenfonds. In zoverre is sprake van ongelijke gevallen. Wij zouden daarom willen bepleiten dat inspecteurs slechts hoeven te toetsen of het buitenlandse pensioenfonds voldoet aan de relevante buitenlandse eisen en of het in dat land is vrijgesteld van de vennootschapsbelastingplicht.

Dit zou meer recht doen aan de geest van het EU-recht en het vermindert de administratieve lasten.

Nederlands pensioenfonds met beleggingen in buitenlandse aandelen

Voor een Nederlands pensioenfonds met beleggingen in buitenlandse aandelen is het natuurlijk even nadelig als de bronheffing op dividendbetalingen `blijft hangen' als voor een buitenlands pensioenfonds dat beleggingen in aandelen in Nederland heeft. Nederland is bepaald niet het enige land dat de `eigen' eisen ook oplegt aan een fonds uit een ander land.

Alleen al om die reden zou het een goede zaak zijn als alle naar nationaal recht vrijgestelde pensioenfondsen - althans binnen EER-verband - zonder meer in aanmerking zouden komen voor een teruggave, of nog beter: een inhoudingsvrijstelling (en dan niet alleen recht hebben maar dat recht ook daadwerkelijk krijgen). Dat zou de houdbaarheid en toereikendheid van (ook) de Nederlandse pensioenen zeer bevorderen.

Wij zien een dergelijke harmonisatie echter helaas niet tot stand komen. Het tegendeel is het geval.

In Nederland zal de inhoudingsvrijstelling alsnog niet meer worden ingevoerd in verband met het voornemen om de dividendbelasting af te schaffen per 1 januari 2020. Dat is nadelig voor een pensioenfonds voor zover dat belegt in Nederlandse aandelen: het zal het in verwachte liquiditeitsvoordeel van de inhoudingsvrijstelling in 2018 en in 2019 niet kunnen realiseren. Dit geldt uiteraard zowel voor een binnenlands pensioenfonds als voor een buitenlands pensioenfonds. Het is echter een tijdelijk probleem. Als de Nederlandse dividendbelasting eenmaal is afgeschaft, hoeft die ook niet meer te worden teruggevraagd.

Voor zover een Nederlands pensioenfonds belegt in buitenlandse aandelen biedt de voorgenomen afschaffing van de Nederlandse dividendbelasting uiteraard geen enkel soelaas, als de buitenlandse bronbelasting nog steeds `blijft hangen'. Een Nederlands pensioenfonds kan echter wel iets doen om te bevorderen dat die ongunstige situatie tot een einde komt. De pensioensector kan zich erover beklagen wanneer Nederlandse pensioenfondsen zwaarder worden belast dan buitenlandse pensioenfondsen als zij hun rechten uit hoofde van het EU-recht uitoefenen door over de grenzen te beleggen. De Europese Commissie neemt dit soort klachten uiterst serieus. Alle kans dat zo'n klacht leidt tot een formele ingebrekestelling, de eerste stap in een infractieprocedure. Het gaat om belemmeringen van de werking van de interne markt, het gaat om veel geld, de kwestie is politiek belangrijk en betreft meerdere lidstaten tegelijk. 

Contact
Neem voor meer informatie contact op met Marlies Kastelein, Jeroen Bruggeman, Bauco Suvaal of Charlotte Koopman.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig