Zware beroepenregeling: een zware opgave |
close
Share with your friends

Zware beroepenregeling: een zware opgave

Zware beroepenregeling: een zware opgave

Diverse malen is in Nederland (tevergeefs) geprobeerd te komen tot een zware beroepenregeling. Kan Nederland wellicht leren van haar buurlanden?

Manager Financial Risk Management

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

A man with bricks construction site

Zware beroepenregeling: een zware opgave

Sinds 2009 wordt in Nederland geprobeerd om te komen tot een zware beroepenregeling. Diverse malen is door opeenvolgende kabinetten en sociale partners echter geconcludeerd dat een regeling voor een groep mensen met een zwaar beroep moeilijk is uit te werken, omdat een zwaar beroep zich lastig laat definiëren. Kan Nederland wellicht leren van haar buurlanden?

Nederland

In 2009 werd in Nederland tijdens de discussie omtrent het verhogen van de AOW-leeftijd aangedrongen tot het instellen van een aparte regeling voor zware beroepen. Niet iedereen is immers in staat door te werken tot de verhoogde AOW-leeftijd.

Daarbij werd in eerste instantie gedacht aan de introductie van een flexibele AOW die het mogelijk maakt de AOW eerder in te laten gaan. Een dergelijk voorstel is echter gestrand. Vervroeging van de AOW leidt namelijk tot een lagere AOW-uitkering en is financieel dus niet aantrekkelijk.

Daarna is nog meerdere malen gesproken over de invoering van een separate zware beroepenregeling. Het invoeren van een dergelijke regeling is ook tot op heden niet gelukt. Het lijkt een onmogelijke opgave om objectief vast te stellen wat wel en wat niet als een zwaar beroep kan worden gekwalificeerd. Evenmin biedt het afbakenen van zware beroepen tot bepaalde sectoren een antwoord. Binnen sectoren is sprake van diversiteit in de zwaarte van beroepen, afhankelijk van de functie die een werknemer binnen een organisatie bekleedt. Ook kan de inhoud van werk in de loop der jaren veranderen, bijvoorbeeld onder invloed van automatisering/robotisering. Zonder afbakening wordt een regeling voor zware beroepen onbeheersbaar en lastig uitvoerbaar.

Sociale partners en de overheid willen zich dan ook liever graag gezamenlijk inzetten om te voorkomen dat werknemers jarenlang dezelfde `zware' werkzaamheden in een beroep verrichten en daardoor `verslijten' en niet tot de AOW-leeftijd kunnen werken. Zij moedigen dan ook niet het instellen van een zware beroepenregeling aan, maar juist initiatieven gericht op duurzame inzetbaarheid. De loopbaan van een werknemer en de werkzaamheden die de werknemer daarin verricht, dienen zodanig te zijn afgestemd dat deze werknemer zonder gebreken de AOW-leeftijd kan bereiken en ook daarna gezond is.

Onlangs is de discussie over een zware beroepenregeling echter weer opnieuw opgelaaid. Vakcentrales hebben in het uitgelekte concept pensioenakkoord aandacht gevraagd voor werknemers die langdurig en/of zwaar door arbeid zijn belast. In de ogen van de vakcentrales is maatwerk in cao's voor deze werknemers nodig zodat zij eerder kunnen uittreden. Daarnaast pleiten zij voor een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd.

Er lijkt dus nog steeds behoefte te bestaan aan een regeling voor zware beroepen. Nu Nederland (vooralsnog) niet zelf tot een zware beroepen regeling komt, kan zij misschien leren van voorbeelden uit haar buurlanden.

België

Net als in Nederland moet in België, als gevolg van de verhoging van de pensioenleeftijd van het staatspensioen, langer worden doorgewerkt.

De Belgen wensen daarbij mensen met een zwaar beroep te ontzien. De Belgische regering en vakbonden hebben ervoor gekozen om een zwaar beroep niet in één definitie te vangen, maar een lijst te publiceren van beroepen die in haar ogen als zwaar beroep kwalificeren. Bij de beoordeling is niet alleen gekeken naar de zwaarte van het werk, maar ook naar onregelmatige uren, de veiligheidsrisico's op het werk en de hoeveelheid stress. Op basis van deze vier criteria is vervolgens een lijst met zware beroepen vastgesteld. De beroepen zijn op dit moment alleen beroepen die vallen in het overheidsdomein, maar de gemaakte afspraken voor zware beroepen moeten uiteindelijk voor iedereen gaan gelden.

De door de Belgische regering opgestelde lijst van zware beroepen bevat een grote diversiteit aan beroepen: van werknemers in de bouw en het leger, tot kleuterleidsters en postbodes. Ook machinisten, vuilnisophalers, verplegers, cipiers en buschauffeurs worden als zware beroepen genoemd.

Hoe vroeg iemand daadwerkelijk met pensioen mag gaan hangt af van de zwaarte en de lengte van de loopbaan. Iemand met een zwaar beroep mag in ieder geval niet eerder dan voor zijn/haar 60e met pensioen.

Een dag na de publicatie van de lijst van zware beroepen werd de lijst met zware beroepen echter alweer te gronde gericht. Het Belgische kernkabinet veegde de lijst van tafel en floot haar minister van Pensioenen die betrokken was bij de totstandkoming van de lijst terug. De lijst zou er namelijk toe leiden dat bijna de helft van het overheidspersoneel een zwaar beroep heeft en dus recht heeft op vervroegd pensioen. De lijst maakt het dan ook onmogelijk en onbetaalbaar om diezelfde logica door te trekken naar de privésector.

De minister én de lijst met zware beroepen zijn daarmee weer terug bij af. De Belgische regering wacht nu eerst af wat de vakbonden gaan afspreken over zware beroepen. Het lijkt er dan ook op dat ook België niet in staat is een zwaar beroep te vangen in een definitie, laat staan in het publiceren van een lijst met zware beroepen.

Duitsland

Duitsland verhoogt sinds 2012 ieder jaar de pensioenleeftijd van haar staatspensioen, dat overigens verschilt van het Nederlandse systeem. In het Duitse systeem is het mogelijk om na 45 dienstjaren met (vervroegd) pensioen te gaan zonder te worden gekort op de pensioenuitkering.

Duitsland heeft dus niet gekozen voor het definiëren van een zwaar beroep, maar voor een koppeling aan het arbeidsverleden. De rechtvaardiging hiervoor kan zijn dat over het algemeen laagopgeleide mensen een (fysiek) zwaar beroep hebben en doorgaans op jonge leeftijd aan de arbeidsmarkt zijn gaan deelnemen. Verder leven laagopgeleide werknemers circa zes jaar korter dan hoogopgeleide werknemers, waardoor ze korter van hun pensioen kunnen genieten.

Wouter Koolmees heeft onlangs laten weten dat een koppeling van de AOW aan het arbeidsverleden in Nederland `geen begaanbare weg' is. Bovendien staat dit in zijn ogen haaks op de het karakter van de AOW. De AOW is een volksverzekering die voor iedere oudere een basisvoorziening biedt (Beveridge model). Het arbeidsverleden speelt, in tegenstelling tot het Duitse stelsel van staatspensioen (Bismarck model), geen rol. Bovendien vindt in Nederland geen registratie plaats van het arbeidsverleden op sectorniveau. Het is dus (nog) niet mogelijk om op een beheersbare en objectieve wijze een arbeidsverleden van 45 jaar vast te kunnen stellen.

Hoe nu verder?

Pogingen van overheid en sociale partners, zowel in Nederland als in België, om te komen tot een zware beroepenregeling zijn tot op heden gestrand. De oplossing voor werknemers in zware beroepen lijkt in ieder geval niet te moeten worden gezocht in een definitie of het opstellen van een zware beroepenlijst. Het maken van een koppeling aan het aantal dienstjaren zoals in Duitsland het geval is, lijkt een beter alternatief. Een dergelijke oplossing biedt voor Nederland echter geen soelaas in de eerste pijler, gezien haar afwijkende karakter.

Eerder zou een oplossing in de tweede pijler gezocht moeten worden. Denk daarbij aan de omvorming van het bestaande deelnemingsjarenpensioen tot een dienstjarenpensioen. Veel werknemers hebben immers wel voldoende dienstjaren maar niet voldoende deelnemingsjaren waardoor van deze regeling nauwelijks gebruik wordt gemaakt. Dit vraagt wel om een gedegen administratie waaruit de dienstjaren afgeleid kunnen worden en een financiële bijdrage van de werkgever. Verder zouden reeds bestaande pensioenregelingen fiscaal geoptimaliseerd kunnen worden door sociale partners zodat deelnemers beter in staat worden gesteld een adequaat pensioen op te bouwen en dit vervolgens te vervroegen.

Sociale partners kunnen daarnaast overwegen onderling een werknemersverzekering af te spreken binnen de kaders van sectorale arbeidsvoorwaarden, die geënt is op het risico van niet duurzame inzetbaarheid met eventueel een bonus-malus op werkgeversniveau. Dat geeft de mogelijkheid voor individueel maatwerk.

Of er ooit tot een zware beroepenregeling gekomen gaat worden is maar de vraag. Feit is dat in ieder geval (meer) ingezet moet worden op het voor iedereen mogelijk maken om op een gezonde wijze door te werken tot de AOW-leeftijd. Met name nu de AOW-leeftijd steeds verder stijgt. Dit vraagt inspanningen van alle betrokken partijen, niet alleen de overheid, maar ook werkgevers en werknemers zelf.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig