Consultatie conceptakkoord pensioenen |
close
Share with your friends

Consultatie conceptakkoord pensioenen

Consultatie conceptakkoord pensioenen

Het 'pensioenakkoord' dat de markt bereikte kan ook beschouwd worden als een consultatie om constructief mee te denken.

Contact

Pensions Lead

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

Consultatie conceptakkoord pensioenen

Op 30 mei 2018 lekte het Conceptakkoord Pensioenen uit naar de buitenwereld. Het Conceptakkoord Pensioenen beschrijft het onderhandelingsresultaat tussen FNV en VNO-NCW ten aanzien van de hervorming van het Nederlandse pensioenstelsel. Het onderhandelingsresultaat is een integrale aanpak voor de hervorming van zowel de eerste als de tweede pijler.

Al jaren wordt gewacht op een dergelijk resultaat. De buitenwereld pakt dit conceptakkoord dan ook gretig met twee handen aan. Als honden rennen we allemaal zo hard mogelijk achter deze bal aan. Experts vallen over elkaar heen om hun mening te ventileren. Vanuit de partijen aan de onderhandelingstafel horen we echter zeer weinig. Des te opmerkelijker vinden wij dat een vertrouwelijk onderhandelingsresultaat over dit beladen onderwerp buiten op straat is komen te liggen. Was het misschien toch een bewuste keuze om deze bal te gooien, zodat de buitenwereld even is afgeleid?!

De reacties vanuit de pensioensector zijn niet allemaal even constructief. Oude wonden lijken weer te worden opengereten, waarbij experts vooral hun eigen mening blijven herhalen. Bij wetgeving is het de laatste tijd gebruikelijk dat concept wetsvoorstellen ter consultatie komen. Consultatie stelt de markt in staat om constructief mee te denken met de wetgever. De auteurs bundelen krachten en de gelekte documenten als een consultatie te beschouwen en van de gelegenheid gebruik te maken om constructief mee te denken over twee specifieke onderdelen die in het conceptakkoord uiteen zijn gezet:

  1. een samenhangend pakket maatregelen rond de AOW- en pensioenleeftijd; en
  2. introductie van een nieuw pensioencontract.

1. Een samenhangend pakket maatregelen rond de AOW- en pensioenleeftijd

In het samenhangende pakket maatregelen rond AOW- en pensioenleeftijd wordt de behoefte kenbaar gemaakt voor sectoraal en individueel maatwerk. De zwareberoependiscussie lijkt weer omhoog te borrelen. Zijn mensen voldoende in staat om zwaar arbeid te verrichten bij een stijgende AOW-leeftijd?

De vraag is of een oplossing voor de zwareberoependiscussie moet worden gevonden in het vertragen van de verhoging van de AOW-leeftijd. Wordt deze discussie terecht gekoppeld aan maatregelen omtrent het eerste pijler pensioen? Wij stellen voor om binnen het arbeidsrechtelijke domein te kijken naar oplossingen om mensen met zwaar arbeid eerder te laten stoppen met werken. Reeds bestaande pensioenregelingen kunnen binnen het fiscale kader worden geoptimaliseerd door sociale partners zodat deelnemers beter in staat worden gesteld een adequaat pensioen op te bouwen en dit vervolgens te vervroegen. Vervroegd pensioen of deeltijdpensioen is een win-win zijn voor zowel de deelnemer als fiscus: eerder en mogelijk langer uitkeren. We onderschrijven dat dergelijke maatregelen beter fiscaal gefaciliteerd kunnen worden bijvoorbeeld door de RVU maatregelen te herzien.

Ook een omvorming van het bestaande deelnemingsjarenpensioen tot een dienstjarenpensioen zou kunnen bijdragen aan het faciliteren van het eerder met pensioen gaan van zware beroepen. Veel werknemers hebben immers wel voldoende dienstjaren maar niet voldoende deelnemingsjaren waardoor van de huidige regeling nauwelijks gebruik wordt gemaakt. Dit vraagt wel om een gedegen administratie waaruit de dienstjaren afgeleid kunnen worden en een financiële bijdrage van de werkgever.

Daarnaast kan bijvoorbeeld de haalbaarheid van een werknemersverzekering worden onderzocht. Deze verzekering kan verplicht worden gesteld binnen de kaders van sectorale arbeidsvoorwaarden. De verzekering is geënt op het risico van niet-duurzame-inzetbaarheid met eventueel een bonus/malus op werkgeversniveau. De solidariteit voor de zware beroepen worden binnen de sector gedragen door werkgevers en werknemers gezamenlijk, doordat iedereen een gedeelte van de premie betaald. De lasten worden neergelegd in de sector in plaats van bij de overheid (belastingbetaler). Ook wordt zo geborgd dat we in Nederland niet zoals in België ellenlange discussies krijgen of wat kwalificeert als een zwaar beroep. Sectoren beslissen zelf of de arbeid in de sector dermate zwaar is dat een zwareberoepenverzekering noodzakelijk is om mensen eerder te laten stoppen met werken.

Een vertraging van de verhoging van de AOW leeftijd op korte termijn als oplossing voor de zwareberoependiscussie achten wij niet de juiste maatregel. Wel vinden wij het van belang dat de AOW-leeftijd flexibel wordt naar boven en naar beneden toe. Nu kan de AOW-leeftijd alleen maar stijgen of stagneren. Echter zou wanneer blijkt dat de levensverwachting van de bevolking minder snel stijgt dan eerder verwacht naar onze mening ook de mogelijkheid moeten worden gefaciliteerd om de AOW-leeftijd te vervroegen.

2. Introductie van een nieuw pensioencontract

Partijen stellen voor een nieuw contract toe te voegen aan het bestaande palet pensioencontracten. Het nieuwe contract is gebaseerd op het streven een geïndexeerd pensioen te bieden, waarin het ambitieniveau door sociale partners is vastgesteld. Een dergelijk contract wordt ook wel aangeduid als een defined ambition regeling (hierna: DA-regeling). In deze nieuwe DA-regeling wordt de premie voor een periode vastgelegd als resultaat van een doelstelling voor een geïndexeerde pensioenuitkering. De uiteindelijke pensioenuitkering wordt daarmee onzeker en is afhankelijk van onder andere het beleggingsresultaat, de rente en de levensverwachting. Er vindt ten opzichte van een defined benefit regeling (hierna: DB-regeling), de meest voorkomende regeling in Nederland, een risicoverschuiving plaats van werkgevers naar werknemers.

2.1 Nieuw contract of nieuw toetsingskader?
De vraag is in hoeverre de inhoud van de regeling daadwerkelijk nieuw is. Bij een collectieve defined contribution regeling (hierna: CDC-regeling) is het ook al mogelijk om de premie voor een periode vast te leggen, waarbij de pensioenuitkering onzeker is. Bij het vaststellen van de premie in een CDC-regeling kan ook binnen het huidig kader rekening worden gehouden met de doelstelling een geïndexeerde pensioenuitkering aan te bieden.

De nieuwigheid van dit contract zit in het voorstel om voor deze DA-regeling een ander solvabiliteitskader te hanteren. Het solvabiliteitskader is tot op heden afhankelijk van het soort financiële instelling en niet van het soort contract dat wordt uitgevoerd. Zo hebben verzekeraars te maken met Solvency II en is op pensioenfondsen het Financieel Toetsingskader van toepassing. In 2015 is een herziend Financieel Toetsingskader van kracht geworden (hierna: FTK2). Uit het conceptakkoord begrijpen wij dat voor het nieuwe contract een ander toetsingskader gewenst wordt, FTK3.

Wij vragen ons af of het wenselijk is om af te stappen van het principe van een uniform toetsingskader voor de gehele sector. Dragen verschillende toetsingskaders bij aan de vergelijkbaarheid en inzichtelijkheid van pensioenfondsen? Blijft het pensioenstelsel nog wel uitlegbaar? Eén FTK is al moeilijk uitlegbaar aan deelnemers. Tot slot vragen wij ons af of door het solvabiliteitsregime te koppelen aan het soort contract de doelstelling van het FTK niet wordt ondermijnd?

2.2 De werking van FTK3
Op basis van het conceptakkoord begrijpen wij dat pensioenfondsen voor dit DA contract onder FTK3 geen buffer meer hoeven te vormen. Dit betekent dat in goede tijden pensioenen sneller kunnen worden geïndexeerd, maar ook dat in slechte tijden eerder tot korting over moet worden gegaan. Om de lasten (korting) niet in één jaar te nemen, wordt voorgesteld schokken ieder jaar voor 1 /10e deel toe te kennen. Deze methodiek is ook al verwerkt in het huidige FTK 2. Wij verwachten dat een nadere uitwerking ook duidelijk zal maken hoe dit vorm te geven onder FTK 3 zonder dat er sprake is van een buffer.

Daarnaast valt ons op dat partijen enerzijds oproepen om Europa bij voorkeur overal buiten te houden als het gaat om ons pensioenstelsel, terwijl anderzijds een Europese UFR wordt opgeroepen als belangrijke parameter voor dit FTK3. Dat is verrassend te noemen en lijkt opportunistisch. Hebben we voldoende grip op de toekomstige ontwikkelingen van deze Europese UFR, of schieten we ons hiermee op langere termijn in de voet en verliezen indirect grip op ons nationale pensioenstelsel?

2.3 De rol van de sociale partners
Duidelijk wordt intergenerationele risicodeling beoogt met betrekking tot beleggingen en levensverwachting, waarbij de resultaten verspreid worden verwerkt. Sociale partners bepalen de spreidingsperiode, de premie en het ambitieniveau. Bepalen sociale partners door het vaststellen van deze drie parameters ook niet in grote mate de risicobereidheid van het fonds? Is voldoende stil gestaan bij mogelijke roldiffuusheid, welke haaks zou kunnen staan op wat wordt beoogd met de introductie van de Code Pensioenfondsen, Wet versterking bestuur pensioenfondsen en FTK2: duidelijke scheiding van rollen bij toezegging en uitvoering?

De rol van de opdrachtaanvaarding door het pensioenfondsbestuur zal in deze setting nog belangrijk worden. Zij zijn uiteindelijk het gremium dat wordt aangesproken door haar deelnemers, wanneer pensioenen (sneller) worden gekort. Een goede opdrachtaanvaarding vergt een bestuur dat voldoende tegenwicht durft te geven. Wat betekent dit voor de vijf governance modellen voor pensioenfondsen? Zijn - paritair samengestelde - besturen in staat om dit tegenwicht te bieden? De introductie van dit nieuwe contract wordt een goede testcase om te toetsen in hoeverre bestuurders daadwerkelijk in staat zijn om zonder last of ruggespraak de belangen van alle belanghebbenden van het fonds evenwichtig te behartigen.

2.4 Voldoet het nieuwe contract aan de ontwerpcriteria?
De kritiek op huidige DB- en CDC-regelingen is dat ze onvoldoende transparant en flexibel zijn. Deelnemers hebben onvoldoende inzicht in wat zijzelf hebben opgebouwd. Daarnaast klagen deelnemers dat maatwerk in deze regelingen onvoldoende mogelijk is.

In dit DA contract wordt afgestapt van persoonlijke pensioenpotten. De premies worden collectief belegd en zowel biometrische als beleggingsrisico's worden collectief gedeeld. Deelnemers delen dus net als in de huidige DB-regelingen mee in een klein gedeelte van de pot. De vraag is of dit contract de transparantie in eigendom gaat bieden waar deelnemers zo'n behoefte aan hebben? Dit contract zal meer transparante communicatie naar de betrokken deelnemers vereisen. Inzicht in opgebouwd en te verwachten pensioen (binnenkort in drie scenario's en in euro's van nu) is reeds praktijk. De relatie tussen premie en opbouw inzichtelijk maken is geen sinecure en van groot belang voor het draagvlak onder generaties. Het is misschien veel van hetzelfde, terwijl echte winst te behalen valt als deelnemers pensioenactief worden, ook op jonge(re) leeftijd.

Daarnaast lijkt een nieuw contract niet direct bij te dragen aan transparantie en flexibiliteit wanneer wordt overgestapt van een contract dat valt onder FTK2 en dit nieuwe contract dat valt onder FTK3. Is er al nagedacht over individuele waardeoverdracht tussen verschillende contracten? De toenemende arbeidsmobiliteit in combinatie met het steeds gebruikelijker partnerpensioen op risicobasis maken individuele waardeoverdracht belangrijker. Wij zien hier een potentieel risico op dwaling door toename van complexiteit. Contracten onderling vergelijken is al lastig, helemaal als daar een regimewissel (van FTK2 naar FTK3) mee gemoeid is.

2.5 Nabestaandenpensioen
In het akkoord wordt aannemelijk gesproken over nabestaandepensioen. Het moet adequaat zijn, net zoals in het regeerakkoord staat. Adequaat zou kunnen zijn: een vast %, niet diensttijd-afhankelijk, zodat voor iedereen een goede dekking van toepassing is.

Tot slot

Kortom, wil het conceptakkoord voldaan worden, dan moet er nog wel het een en ander aan gesleuteld worden. Wij hopen met deze reactie bij te dragen aan het bouwen aan het akkoord, dat ze waardig is voor een land met een duurzaam pensioenstelsel.


Door Pieter Kiveron (KPMG Advisory) en Eric Bergamin (Bergamin Pensioenrechtadvies).

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig