Laagopgeleiden subsidiëren AOW hoogopgeleiden | KPMG | NL

Laagopgeleiden subsidiëren AOW hoogopgeleiden

Laagopgeleiden subsidiëren AOW hoogopgeleiden

In het bericht “Maak ingangsleeftijd AOW opleidingsafhankelijk” geeft Egbert Kromme een onderbouwd pleidooi om de AOW-gerechtigde leeftijd afhankelijk te maken van iemands opleidingsniveau. Er is namelijk sprake van een forse subsidiëring van de AOW van hoogopgeleiden door laagopgeleiden. Op jaarbasis gaat het om een subsidiërend effect van 0,5 miljard tot 1 miljard aan AOW-uitkeringen.

1000

Partner Advisory, Risk & Regulation

KPMG Nederland

Contact

Gerelateerde content

AOW

Hieronder zal nader worden ingegaan op een aantal consequenties van en achtergronden bij de invoering van een opleidingsafhankelijke AOW-gerechtigde leeftijd. Invoering van een opleidingsafhankelijke AOW-gerechtigde leeftijd zal namelijk niet zomaar even kunnen worden geregeld. Er zijn veel zaken waar rekening mee moet worden gehouden. Maar alles lijkt oplosbaar wanneer er een wil is om een bestaand maatschappelijk probleem met elkaar op te lossen.

Individuele flexibilisering

In tegenstelling tot de huidige AOW-gerechtigde leeftijd zou rondom de opleidingsafhankelijke AOW-gerechtigde leeftijd wel een individuele flexibilisering kunnen worden aangebracht die de mogelijkheid biedt om al eerder (zeg 1 tot 3 jaar) van een verlaagde AOW-uitkering te gaan genieten of om juist wat langer (zeg 1 tot 3 jaar) door te werken voor een wat hogere AOW-uitkering. Voor de laagst opgeleiden is de noodzaak om eerder met pensioen te gaan immers al grotendeels weggenomen door de AOW-gerechtigde leeftijd opleidingsafhankelijk te maken. Echter sommige laagopgeleiden zouden misschien best langer willen doorwerken voor een hogere AOW-uitkering en sommige hoger opgeleiden willen hun AOW-uitkering misschien wel eerder laten ingaan en hebben de middelen om de hiermee gepaard gaande verlaging van hun AOW-uitkering op te vangen. Vervroeging is namelijk alleen mogelijk indien kan worden aangetoond dat in de tweede en/of derde pijler voldoende kapitaal is opgebouwd voor een zodanige aanvulling dat degene die vervroeging wil tot aan zijn verwachte eindleeftijd niet onder bijstandsniveau zal komen.

In de praktijk betekent dit dat de opbouw binnen de tweede en met name de derde pijler naar keuze zowel kan worden gebruikt voor een verhoogde uitkering als voor een vervroegde pensionering. Omgekeerd kunnen degenen die binnen de tweede of derde pijler niets of te weinig hebben opgebouwd er voor kiezen om wat langer door te werken voor een hoger pensioen.

Onderscheiden opleidingsniveaus

Het lijkt op het eerste gezicht voldoende om vier opleidingsniveaus te onderscheiden en daarbij aan te sluiten bij opleidingsniveaus die door het CBS worden onderscheiden. Deze staan hieronder vermeld met daarachter het gewicht van het opleidingsniveau in de totale Nederlandse populatie, de levensverwachting en de voorgestelde ingangsleeftijd voor de AOW.

Vaststellen opleidingsniveau

Het objectief vaststellen van het opleidingsniveau hoeft niet moeilijk te zijn en ook niet elke verandering hierin hoeft te worden meegenomen. Het opleidingsniveau dat iemand op 35-jarige leeftijd heeft bereikt zou een redelijke maatstaf kunnen zijn. Het geeft de mogelijkheid om laatbloeiers mee te nemen maar geeft ook tijdig zekerheid over de ingangsdatum van de AOW, afgezien van verhogingen op basis van een verdere stijging van de levensverwachting. Ook de vastlegging van het opleidingsniveau zal dan goed moeten worden geregeld, bijvoorbeeld via de Sociale Verzekeringsbank.

Er zullen verder altijd uitzonderingen zijn zoals mensen met een lage opleiding die het leefpatroon volgen van hoger opgeleiden en toch vroeg recht op AOW krijgen en anderen met een hoge opleiding die het leefpatroon volgen van lager opgeleiden en pas laat recht op AOW krijgen. Dat valt in geen enkel systeem te voorkomen. Een opleidingsafhankelijke AOW-gerechtigde leeftijd neemt in ieder geval al erg veel van de bestaande ongelijkheid weg.

Het is niet waarschijnlijk dat invoering van een opleidingsafhankelijke AOW-leeftijd tot gevolg zal hebben dat jongeren bewust niet gaan studeren en bewust geen diploma gaan halen om maar eerder recht te krijgen op AOW. Uit meerdere onderzoeken blijkt dat jongeren zich nauwelijks bezig houden met hun pensioen. Daarnaast zou het onverstandig zijn. Iemand met de capaciteiten om een hoge opleiding te doen is beter af om deze hoge opleiding ook af te ronden en daardoor meer te gaan verdienen. Hij kan zo een extra pot met geld opbouwen waardoor hij desgewenst ondanks zijn hogere ingangsleeftijd van de AOW toch eerder kan stoppen met werken dan een laagopgeleide. 

Toekomstbestendigheid

De verschillen in opleidingsniveau zijn niet voor elke leeftijd gelijk. Onder jongeren komen gemiddeld hogere opleidingen voor dan onder ouderen. Dit betekent dat met bij de invoering van een opleidingsafhankelijke AOW-gerechtige leeftijd met enige regelmaat zal moeten worden getoetst of het verschil in levensverwachting tussen opleidingsniveaus niet is veranderd. Het lijkt op zich geen probleem om bij de periodieke toetsing of de AOW- leeftijd moet worden aangepast aan de stijging van de levensverwachting of deze aanpassing voor alle opleidingsniveaus van toepassing is en of deze in dezelfde mate van toepassing is. Het zou dan zo kunnen zijn dat in de toekomst op een bepaald moment de ingangsleeftijd van de AOW voor het ene opleidingsniveau wel stijgt en voor de andere niet of voor het ene opleidingsniveau sneller stijgt dan voor een ander opleidingsniveau.

Geleidelijke invoering

Verder zouden bij de invoering van een opleidingsafhankelijke AOW-gerechtigde leeftijd de toekomstige hoger opgeleiden eventueel kunnen worden gecompenseerd door de studiefinanciering te verruimen zodat minder studieschulden worden opgebouwd. Voor de huidige hoogopgeleiden heeft dat geen effect, maar een opleidingsafhankelijke AOW-gerechtigde leeftijd zal ook niet ineens kunnen worden ingevoerd en zal wellicht in 5 tot 7 jaarlijkse stappen van drie maanden voor de uitersten kunnen worden ingevoerd. Op die manier krijgen toekomstige AOW-gerechtigden de tijd om zich op de nieuwe AOW-gerechtigde leeftijd voor te bereiden en eventueel nog extra financiële maatregelen te treffen.

Andere onderscheidende factoren

Er zijn meerdere factoren op basis waarvan je onderscheid zou kunnen maken omdat er verschil is in levensverwachting. Vrouwen leven gemiddeld 3 jaar langer dan mannen en niet-rokers leven gemiddeld 9 jaar langer dan rokers.

We hoeven als maatschappij niet overal rekening mee te houden, wanneer hetgeen dat wordt besloten maar niet in strijd is met de grondwet. Want eigenlijk is de huidige Algemene Ouderdomswet (AOW) strijdig met artikel 1 van de Grondwet omdat laagopgeleiden en hoogopgeleiden niet gelijk worden behandeld. Ogenschijnlijk lijkt er sprake te zijn van gelijke behandeling door iedereen in 2018 vanaf 66 jaar recht op AOW te geven. Maar cijfers tonen duidelijk aan dat de laagst opgeleiden gemiddeld vier jaar korter leven dan de hoogst opgeleiden en daardoor 4 jaar minder lang een AOW-uitkering genieten. Deze ongelijke behandeling kan worden gelijkgetrokken door op basis van opleiding iedereen op hetzelfde moment in zijn levensloop recht op AOW te geven, namelijk zodra 76% van de levensverwachting is bereikt.

Ten aanzien van het onderscheid tussen mannen en vrouwen zou eenzelfde redenering ertoe kunnen leiden dat mannen nog een jaar eerder AOW zouden moeten krijgen en vrouwen een jaar later. Daarmee zouden mannen en vrouwen gelijk worden behandeld, maar de kans is groot dat dit binnen de Europese regelgeving niet is toegestaan. Europa hanteert namelijk een ander gelijkheidsbeginsel, zoals ook blijkt uit het uniseks tarief dat levensverzekeraars verplicht zijn om te hanteren.

Rookgedrag

Uit recente onderzoeken blijkt dat onder laagopgeleiden meer wordt gerookt dan onder hoogopgeleiden. Dit is echter geen directe verklaring voor het feit dat lageropgeleiden korter leven. Het KPMG onderzoek naar het verschil in levensverwachting tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden betreft ingegane sterfgevallen in het verleden van AOW-gerechtigden van gemiddeld 75 jaar en het gaat dus om hun rookgedrag tijdens hun leven. Dan hebben we het over een periode vanaf ongeveer 1950.

Het recente onderzoek over het verschil in rookgedrag tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden heeft betrekking op mensen die nu leven en dat zit dus niet verwerkt in de cijfers die zijn gebruikt. Het kan wel zo zijn dat als er in de toekomst een verschil in rookgedrag blijft bestaan tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden, dat dan over 50 jaar het verschil in levensverwachting tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden nog groter wordt.

Vaststellen levensverwachting

Het lijkt heel logisch om de AOW-gerechtigde leeftijd opleidingsafhankelijk te maken en de vraag dient zich aan waarom dit niet al veel eerder is gedaan. Dat heeft onder andere te maken met de wijze waarop de levensverwachting wordt bepaald. Tot 2014 kon er geen zuivere levensverwachting worden bepaald omdat er geen goede voorspelling van de toekomstige overlijdenskansen bestond die lang genoeg vooruit in de toekomst kon worden geprojecteerd. Vanaf 2014 gebruikt het Koninklijk Actuarieel Genootschap echter een nieuw prognosemodel waarmee dit wel kan.

Het is echter nog maar de vraag in hoeverre wetgeving kan worden gebaseerd op uitkomsten van een prognosemodel dat gebaseerd is op veronderstellingen. Dat zou wel het meest zuiver zijn, maar het lijkt waarschijnlijker dat de wetgever zich uitsluitend wil baseren op statistieken van reeds gerealiseerde overlijdensgevallen. Dat is op zich ook wel mogelijk door in dat geval niet uit te gaan van de zuivere levensverwachting maar van de zogeheten periodelevensverwachting. Deze zou door het CBS kunnen per opleidingscategorie kunnen worden vastgesteld. Naar verwachting zal dit niet tot hele andere uitkomsten leiden voor wat betreft de ingangsleeftijd van de AOW per opleidingscategorie, maar het zal wel tot een forse onderschatting leiden van de verwachte uitkeringsduur van iedere AOW-gerechtigde. De werkelijke toekomstige kosten van de AOW zullen dus een stuk hoger zijn dan op basis van zulke CBS statistieken zou worden verwacht.

Omslagstelsel

Hoewel lager opgeleiden gemiddeld langer meebetalen aan de AOW, betalen ze gedurende hun werkzame leven in totaal niet meer AOW-premie dan hoger opgeleiden. Dat komt doordat lager opgeleiden meestal minder verdienen en daardoor over een lager bedrag AOW-premie en belasting betalen.

Dit betreft echter de financiering van de AOW en die moeten we los zien van de uitkeringsfase omdat we in Nederland een omslagstelsel hebben. Doordat we een progressief belastingstelsel hebben, betalen lagere inkomens en daarmee ook lager opgeleiden minder mee aan alle voorzieningen die we hebben. Zo betalen lager opgeleiden ook minder mee aan de zorgkosten. Maar we gaan ze daarom toch niet minder recht geven op zorg? Dan krijgen we een heel ander soort discussie.

Het KPMG onderzoek heeft vooral gekeken naar het recht op AOW. En daaruit blijkt dat de 50% met de hoogste opleiding ongeveer € 1,5 miljard meer AOW geld ontvangt dan de 50% met de laagste opleiding. Als je dat meer gelijk zou willen trekken, moet er een jaarlijkse verschuiving van ongeveer 0,75 miljard plaatsvinden van de hoger opgeleiden naar de lager opgeleiden.

Tweede pijler pensioen

Er is een afhankelijkheid tussen de AOW-gerechtigde leeftijd en het tweede pijler pensioen. Het is aan te bevelen om de pensioengerechtigde leeftijd van het tweede pijler pensioen te laten aansluiten op de AOW-gerechtigde leeftijd. Binnen de sectoren wordt voor de vaststelling van de toekomstige uitkeringen en de daarvan afgeleide premies vaak al gerekend met inkomensafhankelijke ervaringssterftecijfers. Omdat inkomen en opleiding sterk gecorreleerd zijn, is voor de uitkeringsduur al rekening gehouden met de voor de sector geldende levensverwachting. Op het moment dat er bij de premiestelling onderscheid gemaakt zou gaan worden tussen opleidingsniveaus, zal vervroeging van de pensioengerechtigde leeftijd voor laagopgeleiden daarom voor hen betekenen dat hun pensioenpremies omhoog zullen moeten en voor hogeropgeleiden dat hun pensioenpremies omlaag kunnen.

Consequentie voor arbeidsongeschiktheidsuitkering

Een opleidingsafhankelijke AOW zal ook consequenties hebben voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en -verzekeringen. Hoger opgeleiden zullen een deel van de lagere pensioenpremie nodig hebben voor een verhoging van hun arbeidsongeschiktheidsdekking. Deze verzekering moet namelijk langer uitkeren. Daarentegen zal de arbeidsongeschiktheidsuitkering van laagopgeleiden omlaag kunnen omdat de uitkeringsduur wordt beperkt. Mogelijk dat deze verzekeringen daardoor beter betaalbaar worden voor zelfstandigen en ZZP-ers in sectoren zoals de bouw. Ook de WIA-uitkeringen voor langdurige arbeidsongeschikten zullen na invoering van een opleidingsafhankelijke AOW-leeftijd een variabele eindleeftijd moeten krijgen. Per saldo zou dit budgetneutraal kunnen uitvallen wanneer de ingegane WIA-uitkeringen gewogen evenredig zijn verdeeld over de opleidingscategorieën.

Discussie

Er zijn ongetwijfeld vele redenen te bedenken waarom de invoering van een opleidingsafhankelijke AOW-gerechtigde leeftijd niet eenvoudig zal zijn. Het is echter wel goed om een gefundeerde discussie op gang te brengen over hoe de verschillen in levensverwachting tussen opleidingsniveaus kunnen bijdragen aan een oplossing voor de AOW problematiek van zware beroepen. Vervolgens is het aan de politiek om keuzes te maken.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig