Eindarrest Hoge Raad over per-elementbenadering | KPMG | BE
close
Share with your friends

Eindarrest Nederlandse Hoge Raad over per-elementbenadering

Eindarrest Hoge Raad over per-elementbenadering

Eindarrest Nederlandse Hoge Raad over per-elementbenadering

In eerdere edities belichtten wij de onzekere toekomst van de Nederlandse fiscale eenheid vennootschapsbelasting en de per-elementbenadering. Op 22 februari 2018 verscheen het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) en op 19 oktober 2018 werd het eindarrest van de Hoge Raad in twee belangrijke zaken in dit kader gepubliceerd.

Wij verwijzen naar onze eerdere berichtgeving over de per-elementbenadering. Op basis van deze benadering moeten aan Nederlandse vennootschapsbelastingplichtigen met niet in Nederland gevestigde EU-dochtervennootschappen, ondanks dat zij geen fiscale eenheid kunnen aangaan met deze dochtervennootschappen, onder voorwaarden de voordelen van afzonderlijke elementen van het fiscale-eenheidsregime worden toegekend alsof wél een fiscale eenheid met deze buitenlandse dochtervennootschappen kan worden aangegaan.

In zijn eindarrest oordeelt de Hoge Raad in navolging van het HvJ – ondanks een zeer kritische conclusie van de advocaat-generaal bij het HvJ-arrest – dat de per-elementbenadering van toepassing is.

Spoedreparatiemaatrelen

Op 25 oktober 2017, reeds lang voor bovengenoemd eindarrest van de Hoge Raad verscheen, kondigde de Nederlandse staatssecretaris een spoedreparatiemaatregel aan die uiteindelijk op 4 juni 2018 door middel van een wetsvoorstel bij de Tweede kamer is ingediend. Kort gezegd houdt deze maatregel in dat een aantal specifieke regelingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 – onder andere artikel 10a (renteaftrekbeperking), artikel 13 (deelnemingsvrijstelling) en artikel 20a (handel in verlies- en winstvennootschappen) – wordt toegepast alsof van een fiscale eenheid geen sprake is.

De staatssecretaris kondigde eerder aan bovengenoemde spoedreparatiemaatregel toe te passen met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 en had deze datum aanvankelijk ook opgenomen in het wetsvoorstel. Inmiddels heeft hij toegezegd dat deze terugwerkende kracht wordt beperkt tot 1 januari 2018 en voegde hij de daad bij het woord door het wetsvoorstel dienovereenkomstig aan te passen.

Hoewel het wetsvoorstel nog moet worden aangenomen, is een nadere analyse op basis van de per-elementbenadering op grond van bovenstaande toezegging niet vereist om de vennootschapsbelastingpositie 2017 van uw vennootschap vast te stellen en uw aangifte vennootschapsbelasting 2017 in te dienen. Om de vennootschapsbelastingpositie 2018 te kunnen vaststellen en in voorkomende gevallen nadelige fiscale gevolgen te voorkomen, is deze analyse wel vereist. Wij adviseren u deze analyse zo spoedig mogelijk te maken. Indien gewenst zijn wij vanzelfsprekend graag bereid u hierbij te assisteren.

Verder wijzen wij u graag nog op het volgende. Zoals de Hoge Raad in het eindarrest van 19 oktober jongstleden zelf vaststelt, heeft hij in eerdere procedures de zogenoemde per elementbenadering ten onrechte verworpen. De Hoge Raad heeft de belastingplichtigen uit deze procedures dus – achteraf – ten onrechte ongelijk gegeven. De belastingplichtigen hebben onder bepaalde voorwaarden alsnog recht op toepassing van de per-elementbenadering op grond van eerdere jurisprudentie van het HvJ, het zogenoemde Kühne & Heitz-arrest. Uiteraard moeten deze belastingplichtigen zich wel zo spoedig mogelijk melden bij de fiscus. Dit is een van de voorwaarden uit het Kühne & Heitz-arrest.

De vraag rijst of dit ook geldt voor belastingplichtigen die – na het wijzen van die arresten van de Hoge Raad – niet meer zelf (door)geprocedeerd hebben met een beroep op de per-elementbenadering op het punt van de houdsterverlies- en/of thincapregeling (dat zou immers zinloos zijn geweest). Naar onze mening is het niet uitgesloten dat ook belastingplichtigen die (op de elementen waar de Hoge Raad destijds over heeft geoordeeld) niet zelf doorgeprocedeerd hebben rechtsherstel kunnen krijgen. Het is dus interessant om te bezien of er bij u na genoemde arresten uit 2011 respectievelijk 2012 in inmiddels onherroepelijk vaststaande jaren:

  • renteaftrek is geweigerd op basis van art. 10d Wet Vpb; en/of
  • een beschikking voor 20 lid 4-verliezen is afgegeven; en/of
  • 20 lid 4-verliezen in het verleden niet zijn verrekend, én
  • met de per-elementbenadering niet tegen deze beperkingen zou zijn aangelopen (kort samengevat: in EU/EER-situaties met > 95% moeder- of dochtermaatschappijen).

 

Indien u een (mogelijk) relevante situatie aan de hand hebt, vernemen wij dat dan ook graag.

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

Gerelateerde content