Belgian Pensions Accounting Survey 2018 | KPMG | BE
close
Share with your friends
Belgian Pensions Accounting Survey 2018

Belgian Pensions Accounting Survey 2018

Belgian Pensions Accounting Survey 2018

In een poging om de algemene trends omtrent IAS 19 in België te doorgronden, stelt KPMG Advisory civil CVBA de tweede Belgische editie voor van de KPMG Pensions Accounting Survey. Terwijl bedrijven hun slotcijfers van 2018 voorbereiden, biedt dit benchmarkingverslag een blik op de veronderstellingen die bedrijven gebruiken om hun pensioenverplichtingen voor eind 2017 te waarderen.

De gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op onze analyse van de veronderstellingen van 41 ondernemingen en niet minder dan 91 pensioenplannen op de Belgische markt, en op algemene vaststellingen omtrent de situatie eind 2017. De resultaten richten zich op de veronderstellingen van de ondernemingen die aan de enquête hebben deelgenomen, aangevuld met publiek beschikbare informatie over de veronderstellingen van beursgenoteerde ondernemingen (toegespitst op de BEL20, de twintig belangrijkste ondernemingen op de Belgische beurs per beurskapitaal). Omwille van vertrouwelijkheid is het niet mogelijk om op basis van de geaggregeerde resultaten de individuele gegevens van een bepaald bedrijf te identificeren.

Het beheer van pensioenplannen vormt vanuit een financieel-boekhoudkundig standpunt een ware uitdaging voor de financiële en personeelsafdelingen. In België opereren bedrijven in een landschap met een steeds veranderende wetgeving en een marktomgeving die veel aanpassingsvermogen vereist. Daarbij komt dat de internationale boekhoudnormen voorschrijven dat ondernemingen de waarde van hun pensioenverplichting moeten bepalen. Zowel de IFRS- als de USGAAP-normen schrijven aanvullende veronderstellingen en aanbevelingen voor die bij de waarderingseisen komen.

Bij het geven van actuarieel advies door actuariële consultants en adviseurs, moeten zij in sommige gevallen de richtlijnen voor veronderstellingen interpreteren waardoor verschillende perspectieven mogelijk zijn. Dat resulteert in een brede waaier aan veronderstellingen en betekent dat u als financiële of HR-afdeling een reeks actuariële veronderstellingen voorgeschoteld krijgt waaruit u kunt kiezen.

Door onze inzichten in hoe de IAS 19- en ASC 715-richtlijnen op de Belgische markt worden toegepast, kunnen we trends in boekhoudkundige veronderstellingen aantonen die iedereen die betrokken is bij het opstellen of lezen van rekeningen kunnen helpen om hun schema's te begrijpen en te benchmarken.

In de context van IAS 19 (IFRS) helpen actuariële veronderstellingen bij het bepalen van de uiteindelijke kosten van het verstrekken van uitkeringen. Het zijn de beste schattingen van de toekomstige variabelen die deze kosten zullen bepalen en zijn in principe onbevooroordeeld en onderling verenigbaar. De financiële veronderstellingen zijn gebaseerd op de huidige marktverwachtingen omtrent toekomstige gebeurtenissen.

Net als bij IFRS geven de actuariële veronderstellingen in ASC 715 de beste schattingen weer van de toekomstige variabelen die de uiteindelijke kosten zullen bepalen van de pensioentoezegging. De financiële veronderstellingen zijn gebaseerd op de huidige marktverwachtingen en gaan ervan uit dat het plan wordt voortgezet.

Op basis van de normen blijft de disconteringsvoet de belangrijkste economische veronderstelling bij het bepalen van de pensioenverplichting. Elke loonstijging (die in België meestal gekoppeld is aan de inflatie) kan ook een cruciale rol spelen. Andere veelgebruikte parameters in het berekeningsproces zijn het personeelsverloop, de sterftetafels, het inflatiepercentage en de pensioenleeftijd. Het is over deze veronderstellingen dat dit verslag handelt.

1. Veranderingen en trends in de pensioenwetgeving

Net als vorig jaar stelden we twee belangrijke thema's op de Belgische pensioenmarkt vast: de wettelijke wijzigingen en de DC- of Defined Contributions-plannen (pensioenplannen met vaste bijdragen).

 

De wettelijke wijzigingen

De Belgische pensioenmarkt onderging een aanzienlijk aantal wettelijke hervormingen, onder impuls van hetzij nationale overheden, hetzij Europese entiteiten. Hier volgt een kort overzicht van de trends en veranderingen die we tot nu hebben waargenomen:

  • Sinds 1 december 2017 is de opname van studiejaren in de berekening van de eerste pensioenpijler geharmoniseerd tussen de verschillende statuten: ambtenaren, zelfstandigen en werknemers (wet gepubliceerd op 24 oktober 2017). Voor statutair personeel dat na 1 december 2018 met pensioen gaat, wordt de gratis bonus van de studiejaren niet meer toegepast.
  • Sinds 1 januari 2018 is de leeftijd voor vervroegd pensioen verschoven van 62,5 jaar naar 63 jaar, met een minimale loopbaanduur van 41 jaar (wet gepubliceerd op 21 augustus 2015).
  • De 'Wijninckx'-bijdrage, een bijzondere sociale bijdrage betaald door ondernemingen op 'hoge bedrijfspensioenen', is sinds 1 januari 2018 (wet van 25 december 2017) opgetrokken van 1,5% naar 3%.
  • Zoals voorzien in onze vorige editie heeft de invoering van een volledige pensioenpijler voor zelfstandige natuurlijke personen, vergelijkbaar met de bedrijfspensioenen voor werknemers, een stap voorwaarts gezet. Het wetsontwerp werd op 20 augustus 2018 goedgekeurd door de ministerraad.

 

En we anticiperen op het volgende:

  • Vanaf 1 januari 2019 (vervroegde toepassing wordt aangemoedigd), zullen de begin 2018 gepubliceerde wijzigingen in de IAS 19-norm van kracht worden. De wijzigingen verduidelijken de bepaling van de aan het dienstjaar toegerekende pensioenkosten en de nettorentekosten in geval van wijziging, inperking of afwikkeling van het plan. De norm schrijft voor dat de geactualiseerde veronderstellingen op de datum van deze waardering worden gebruikt om de aan het dienstjaar toegerekende pensioenkosten en de nettorentekosten voor de rest van de verslagperiode na de wijziging van het plan te bepalen.
  • In juni 2018 werd de Belgische omzettingswet van de Europese Portabiliteitsrichtlijn gepubliceerd. Deze wet houdt wijzigingen in van de wet op het aanvullend pensioen (LPC/WAP). Deze wijzigingen gaan verder dan wat de richtlijn vereist; zoals de intrekking van een minimumleeftijd voor aansluiting en de onmiddellijke toekenning van de rechten. Deze wijzigingen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2019.
  • Tijdens de ministerraad van 31 augustus 2018 werd een wetsontwerp met betrekking tot de omzetting in de Belgische wetgeving van de Europese IORP II-richtlijn betreffende de activiteiten van en het toezicht op de IBPV's goedgekeurd. Deze richtlijn is de opvolger van de IBPV I-richtlijn 2003/41/EG, die dateert van 3 juni 2003 en die de activiteiten van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's of pensioenfondsen) beschrijft. Deze richtlijn moet uiterlijk op 13 januari 2019 omgezet zijn. Dit zal in eerste instantie resulteren in de aanpassing van de Belgische Wet op de IBPV's van 27 oktober 2006 (WIBP) gevolgd door de Wet op het aanvullend pensioen (WAP). Deze richtlijn bevat geen kwantitatieve kapitaalvereisten zoals in de Solvency II-richtlijn.
  • Voor de eerste pensioenpijler wil de federale regering tegen 2025 overschakelen van de huidige 'pay-as-you-go/Defined Benefit'-regeling naar een 'pay-as-you-go-puntensysteem'. Het algemene principe van dit nieuwe systeem is dat actieve werknemers elk jaar een bepaald aantal punten ontvangen naargelang van de verhouding tussen hun eigen inkomen en het gemiddelde inkomen van de groep aangeslotenen (iemand die het gemiddelde inkomen verdient, ontvangt één punt per dienstjaar). De jaarlijks toegekende punten worden toegevoegd aan het puntensaldo van de aangeslotene. Wanneer deze met pensioen gaat, wordt het saldo dan omgezet in euro's op basis van de puntenwaarde en een omrekeningscoëfficiënt. Bijkomende punten worden toegekend aan 'zware' beroepen.
  • In 2018 werd al een lijst van zware beroepen opgesteld voor de openbare sector, maar er zijn nog steeds discussies gaande over het bepalen van een dergelijke lijst voor de particuliere sector en de regels die van toepassing zijn op de betrokken werknemers (mogelijkheid van vervroegd pensioen of een hoger pensioen). Naar verwachting zal het systeem in 2020 van toepassing zijn.
  • Vanaf januari 2020 hebben werknemers die voldoen aan de voorwaarden voor vervroegd pensioen een nieuw alternatief: het halftijds pensioen. In dit systeem kunnen werknemers halftijds blijven werken en de helft van hun salaris en ook de helft van hun pensioen ontvangen om het gedeeltelijke inkomensverlies te compenseren. In deze regeling blijven ze pensioenrechten opbouwen (elk gewerkt jaar telt voor een half jaar bij de pensioenopbouw). De exacte voorwaarden zijn nog niet bekend.
  • In het kader van de zeer lage gegarandeerde tarieven die momenteel door de verzekeraars op Tak 21-bedrijfspensioenen worden aangeboden, lijken werknemers niet erg happig op Tak 23. De interesse is momenteel niet erg groot, maar kan in de toekomst toenemen.

 

De DC- of Defined Contribution-plannen (pensioenplannen met vaste bijdragen)

We vatten de specifieke kenmerken van de Belgische DC-plannen nog eens samen. De Belgische DC-plannen zijn onderworpen aan de wet van 28 april 2003 op de bedrijfspensioenen. Volgens artikel 24 van deze wet moet de werkgever een gemiddeld minimumrendement van 3,25% op de werkgeversbijdragen en van 3,75% op de werknemersbijdragen garanderen. De wet op de bedrijfspensioenregelingen, gepubliceerd op 18 december 2015, voerde wijzigingen in die een impact hebben op de boekhoudkundige verwerking van de DC-plannen. De nieuwe wet vervangt de 3,25% (werkgever) en 3,75% (werknemer) vanaf 1 januari 2016 door 65% van het gemiddelde rendement van OLO op 10 jaar, gerekend op 1 juni over de laatste 24 maanden, met een minimum van 1,75% en een maximum van 3,75%.

Voor verzekerde regelingen blijven de huidige 3,25% en 3,75% van toepassing voor de bijdragen van vóór 2016. Voor de overige regelingen gelden de nieuwe tarieven ook voor de opgebouwde bijdragen van vóór 2016 vanaf 1 januari 2016. 

De Belgische DC-plannen met minimumrendementsgarantie ten laste van de werkgever zijn momenteel DB- of Direct Benefit-plannen volgens IAS 19. Paragraaf IAS 19.67 bepaalt dat een entiteit de Projected Unit Credit-methode (PUC) moet gebruiken om de contante waarde van haar pensioentoezegging (Defined Benefit Obligations of DBO) te bepalen.

Voor de volledigheid van deze benchmarkanalyse wijzen we erop dat de PUC-methode als volgt wordt gedefinieerd (IAS 19.57):

  • Een betrouwbare schatting geven van de uiteindelijke kosten van de uitkering(en) die werknemers hebben verdiend in ruil voor hun prestaties in de lopende periode en voorgaande perioden voor de entiteit. Daartoe moeten schattingen worden gemaakt (actuariële veronderstellingen) over demografische en financiële variabelen die een invloed zullen hebben op de kostprijs van de uitkering;
  • Deze uitbetaling wordt gedisconteerd om de contante waarde van de pensioentoezegging te bepalen.

 

In sommige specifieke gevallen schrijft paragraaf IAS 19.70 voor dat, indien het dienstverband van een werknemer in latere jaren tot een materieel hogere vergoeding leidt dan in voorgaande jaren, de entiteit de uitkering lineair moet toekennen vanaf:

  • de datum waarop het dienstverband van de werknemer voor het eerst leidt tot uitbetalingen uit hoofde van de regeling (ongeacht of ze al dan niet afhankelijk zijn van het voortduren van het dienstverband), tot
  • de datum waarop het verdere dienstverband van de werknemer niet zal leiden tot verdere uitbetalingen uit hoofde van de regeling, behalve verdere salarisverhogingen.

 

In deze paragraaf wordt het 'back-end loaded'-concept geïntroduceerd. Meer informatie is te vinden in BC 117-120 en in paragraaf 70 (b). Het 'back-end loading'-effect is het gevolg van een uitkering die met de tijd toeneemt, maar geen salarisverhoging toelaat. Bijvoorbeeld bij een leeftijdsgebonden plan, waar de formule voorziet in een verhoging van de premie met de leeftijd of de diensttijd.

Op de Belgische markt is een consensus bereikt over de methode die moet worden gebruikt voor de IAS 19-waardering van de pensioentoezegging. Er zijn echter nog eindeloze discussies bezig over de waardering van de reële waarde van de fondsbeleggingen (wiskundige reserves, art. 115, art. 113). 

De boekhoudkundige verwerking van de pensioenverplichtingen onder BeGaap is het voorwerp van debatten in de actuariële en boekhoudkundige wereld. Een recent advies van de CBN (Commissie voor Boekhoudkundige Normen) toont aan dat er nood is aan een waardering, maar in dit stadium is er geen consensus over de methode.

Bekijken we even de voornaamste veronderstellingen in België

1. Disconteringsvoet

De pensioentoezegging (Defined Benefit Obligation of DBO) met betrekking tot geschatte toekomstige betalingen wordt gewaardeerd op een verdisconteerde basis. 

Voor IAS 19-doeleinden is de disconteringsvoet gebaseerd op de duur van de pensioenregeling, die de timing en de omvang van de uitbetalingen weergeeft (IAS 19.83-85). De pensioentoezegging wordt verdisconteerd aan de hand van een rente op bedrijfsobligaties van hoge kwaliteit. Bij bedrijfsobligaties van hoge kwaliteit hebben we het doorgaans over obligaties met minstens een 'AA-rating'. Bovendien moeten de valuta en de looptijd van de obligaties in overeenstemming zijn met de valuta en de looptijd van de passiva.

Indien de bedrijfsobligatiemarkt niet voldoende diep of kwalitatief is, zijn de disconteringsvoeten gebaseerd op de staatsobligaties, eventueel met een aanpassing (d.w.z. rekening houdend met een zekere risicopremie om de rente op bedrijfsobligaties te benaderen).

Volgens ASC 715 moeten de valuta en de looptijd van de obligaties ook overeenkomen met de valuta en de looptijd van de pensioenverplichting. Zoals bij IFRS wordt de pensioentoezegging verdisconteerd aan de hand van een rente op bedrijfsobligaties van hoge kwaliteit. US GAAP heeft echter aanvullende richtlijnen voor het bepalen van een obligatie van hoge kwaliteit, zodat er in de praktijk een verschil kan zijn ten opzichte van IFRS. Bovendien is er, in tegenstelling tot IFRS, geen leidraad voor situaties waarin de markt voor bedrijfsobligaties niet diep is, hoewel het in die omstandigheden aanvaardbaar zou zijn om staatsobligaties te gebruiken.

Figuur 1: KPMG-richtsnoer voor disconteringsvoet gedurende 2017

Figuur 1: KPMG-richtsnoer voor disconteringsvoet gedurende 2017

Bron: KPMG-analyse

De disconteringsvoeten bleven stabiel tijdens 2017 en zijn eind 2017 voor alle looptijden licht gestegen ten opzichte van de looptijden eind 2016. De verschillen tussen de disconteringscurves gebruikt door KPMG eind 2016 en eind 2017 worden weergegeven in Figuur 1. De evolutie van de curves tussen eind 2016 en eind 2017 vertoont minder verschillen op de kortere dan op de langere looptijden: een stijging van 1 basispunt voor rendementen met een looptijd van vijf jaar en een stijging van 12 basispunten voor rendementen met een looptijd van twintig jaar.

In feite leidt een hogere disconteringsvoet tot een lagere pensioentoezegging. De disconteringsvoeten waren eind 2017 iets hoger dan eind 2016. In theorie kunnen de meeste ondernemingen dus een lichte daling van de pensioenverplichtingen op hun balans eind 2017 hebben laten optekenen.

Figuur 2: Disconteringsvoeten

Figuur 2: Disconteringsvoeten

Bron: 31.12.2016: 56 onderzochte plannen – 31.12.2017: 91 onderzochte plannen

Figuur 2 toont de door de ondervraagde bedrijven toegepaste disconteringsvoet eind 2017 ten opzichte van die van eind 2016. De disconteringsvoeten in de verschillende pensioenplannen van de ondervraagde ondernemingen variëren tussen 0,65% en 2,30%. Zoals verwacht blijft de gemiddelde disconteringsvoet bijna gelijk aan die van vorig jaar: 1,59% in plaats van 1,55%. Voor ongeveer 67% (tegenover 66% eind 2016) van de onderzochte pensioenregelingen wordt een disconteringsvoet van 1,25% tot 1,74% gehanteerd.

2. Inflatiecijfer

Het inflatiecijfer op lange termijn is een veronderstelling die van invloed is op andere economische parameters zoals de loons-, sociale zekerheids- of pensioensverhogingen.

De gevoeligheid bij kortere looptijden is hoog. IAS 19 vereist echter een langetermijnverwachting, zodat deze veronderstelling in de loop van de tijd stabiel moet blijven.

Figuur 3: Inflatiecijfers

Figuur 3: Inflatiecijfers

Bron: 31.12.2016: 35 onderzochte plannen – 31.12.2017: 87 onderzochte plannen

Figuur 3 toont de door de ondervraagde bedrijven toegepaste inflatiecijfers eind 2017 ten opzichte van eind 2016. De inflatiecijfers in de verschillende pensioenplannen van de ondervraagde ondernemingen variëren tussen 1,60% en 2,70%. Zoals vorig jaar is vastgesteld, lijken de ondervraagde bedrijven gemiddeld de inflatieverwachting van de ECB op lange termijn te volgen (tussen 1,80% en 2,00%). De gemiddelde inflatie bedraagt immers 1,83% en de meerderheid van de onderzochte pensioenregelingen (74%) hanteert een inflatie tussen 1,75% en 1,99%.

3. Loonstijgingspercentage

Een entiteit dient haar pensioentoezeggingen te waarderen op een basis die (onder meer) rekening houdt met een geschatte toekomstige loonstijging die van invloed is op de uitbetalingen. IAS 19 schrijft ook voor dat schattingen van toekomstige loonstijgingen rekening houden met inflatie, anciënniteit, promotie en andere relevante factoren zoals vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

In het kader van deze benchmark wordt de loonstijging bekeken als de som van inflatie en een hogere verdienste. In België wordt een systematisch inflatiemechanisme toegepast op een loonstijging. Indien van toepassing, wordt dan een verdiensteparameter toegevoegd.

Het merendeel van de ondervraagde bedrijven hanteert voor hun werknemers een vaste veronderstelling voor loonstijging (ongeveer 75% van de ondervraagde bedrijven). Het is meestal een bedrijfsgerelateerde veronderstelling die overeenkomt met de ervaring van het bedrijf. Toch kiezen 33 onderzochte plannen (gerelateerd aan 9 bedrijven) voor een leeftijdsgebonden veronderstelling. Vaak is er een rechtstreeks verband met de grootte van de onderneming.

Vanaf dit jaar hebben we ervoor gekozen om de cijfers te splitsen tussen de vaste en niet-vaste loonstijgingsveronderstelling, voor een beter inzicht in deze veronderstelling.

Figuur 4a - Vaste loonstijgingen (inclusief inflatie)

Figuur 4a - Vaste loonstijgingen (inclusief inflatie)

Bron: 31.12.2016: 29 onderzochte plannen – 31.12.2017: 52 onderzochte plannen

Figuur 4a toont de vaste loonstijgingscijfers die eind 2017 door de ondervraagde bedrijven werden toegepast ten opzichte van die van eind 2016. De loonstijgingspercentages die in de verschillende pensioenplannen van de ondervraagde ondernemingen worden toegepast, variëren tussen 2,30% en 4,80%. Het gemiddelde loonstijgingspercentage blijft ongeveer gelijk aan dat van vorig jaar: 3,13% in plaats van 3,08%. Dit betekent dus een stijging van de verdienste van ongeveer 1,30% ten opzichte van de gemiddelde inflatie. Bij ongeveer 81% (tegenover 79% eind 2016) van de onderzochte pensioenplannen situeert het loonstijgingspercentage zich tussen 2,25% en 3,74%.

Figuur 4b - Leeftijdsgebonden loonstijgingen (inclusief inflatie)

Figuur 4b - Leeftijdsgebonden loonstijgingen (inclusief inflatie)

Bron: 31.12.2016: 4 onderzochte plannen – 31.12.2017: 33 onderzochte plannen

Figuur 4b toont de leeftijdsgebonden loonstijgingspercentages van eind 2017 ten opzichte van die van eind 2016. Uit de grafiek blijkt dat, zoals vorig jaar, deze percentages dalen met de leeftijd van de deelnemers. Dit bevestigt de algemene perceptie dat jongere werknemers meer kans maken op een hogere salarisverhoging dan oudere werknemers. Daarnaast stelden we een daling vast van de stijgende verdienste voor werknemers onder de 35 jaar.

4. Personeelsverloop

Voor een entiteit behoren demografische veronderstellingen tot de beste schattingen van de variabelen die de uiteindelijke kosten van de uitbetalingen na uitdiensttreding zullen bepalen. Deze veronderstellingen kunnen een cruciale rol spelen. Het merendeel van de ondervraagde bedrijven hanteerde een cijfer dat het personeelsverloop weergeeft. Deze veronderstelling is over het algemeen leeftijdsgebonden. Ook is het meestal een bedrijfsgerelateerde veronderstelling die moet overeenstemmen met de ervaring van het bedrijf. Toch passen sommige onderzochte plannen geen verloopcijfers toe voor de pensioenboekhouding. Er is een direct verband tussen de beperkte omvang van de onderneming en het ontbreken van verloopcijfers. Over het algemeen daalt de aansprakelijkheid van de onderneming met het gebruik van verloopcijfers.

Figuur 5: Personeelsverloop (per jaar)

Figuur 5: Personeelsverloop (per jaar)

Bron: 31.12.2016: 14 onderzochte plannen – 31.12.2017: 54 onderzochte plannen

Figuur 5 toont het personeelsverloop per periode van 5 jaar voor de onderzochte plannen waar eind 2017 een verloopcijfer werd toegepast, vergeleken met die van eind 2016. Aan de ene kant laat de grafiek zien dat deze cijfers net als vorig jaar dalen met de leeftijd van de deelnemers en sneller dalen tussen 24 en 49 jaar dan tussen 50 en 65 jaar. Dit bevestigt de algemene perceptie dat jongere werknemers meer geneigd zijn om hun bedrijf te verlaten dan oudere werknemers. Aan de andere kant stellen we, in vergelijking met vorig jaar, een algemene stijging vast van het personeelsverloop voor de leeftijdsgroep onder de 40 jaar en een algemene daling voor de oudere leeftijdsgroep.

5. Sterftetafels

Een andere demografische veronderstelling is het sterftecijfer, dat rekening houdt met de levensverwachting van de huidige en voormalige werknemers (en hun nabestaanden) die in aanmerking komen voor een uitkering. Deze veronderstelling moet zoveel mogelijk de werkelijke sterfte weerspiegelen, inclusief de stijgende levensverwachting in de toekomst (IASR 19.81-82).

Figuur 6a: Sterftetafels

Figuur 6a: Sterftetafels

Bron: 81 onderzochte plannen

Figuur 6a toont de sterftetafels die de ondervraagde bedrijven eind 2017 gebruikten. Van de 81 onderzochte plannen waarvoor sterfteveronderstellingen beschikbaar waren, gebruikte 81% de MR-sterftetafels voor mannen en de FR-sterftetafels voor vrouwen, met een leeftijdscorrectie voor 90% van hen. De afgelopen jaren werd in de praktijk rekening gehouden met de verbetering van de levensverwachting en werd een leeftijdscorrectie ingevoerd om te voldoen aan de IAS 19-vereisten, zoals blijkt uit bovenstaande grafiek. 

In het algemeen schommelt de leeftijdscorrectie tussen -2 en -5 jaar. Net als vorig jaar paste de meerderheid van de respondenten een correctie van -3 jaar toe voor zowel mannen als vrouwen (43% tegenover 57% eind 2016). Vergeleken met ons verslag van 2017 stellen we ook vast dat de correctie van -5 jaar vaker werd toegepast. (26% in plaats van 18% eind 2016). Hoewel we een toenemend gebruik vaststellen van dit soort voorspellende tafels (10% in plaats van 4% eind 2016), lijkt de markt er in dit stadium nog steeds niet erg happig op.

Figuur 6b 1 : Levensverwachting bij mannen op 65 jaar

Figuur 6b 1 : Levensverwachting bij mannen op 65 jaar

Figuur 6b 2 : Levensverwachting bij vrouwen op 65 jaar

Figuur 6b 2 : Levensverwachting bij vrouwen op 65 jaar

De sterftetafels die worden toegepast door de ondernemingen die de meest gebruikte veronderstellingen (MR/FR-tafels met leeftijdscorrectie) in aanmerking nemen, kunnen worden vertaald naar de levensverwachting. Figuur 6b toont de verkregen cijfers. In 2017 bedroeg de levensverwachting op 65-jarige leeftijd in België ongeveer 86,5 jaar voor vrouwen en 83,3 jaar voor mannen1.

 

1Sterftetafels van 2017 gepubliceerd door StatBel.

6. Pensioenleeftijd

Met betrekking tot de pensioenleeftijd zien we twee trends. Enerzijds houden de recente wettelijke veranderingen in België in dat de normale pensioenleeftijd vanaf 2025 wordt opgetrokken tot 66 jaar en vanaf 2030 tot 67 jaar. Anderzijds is de minimumleeftijd voor vervroegd pensioen vanaf 2018 verhoogd naar 63 jaar (met specifieke loopbaanvoorwaarden).

Figuur 7: Pensioenleeftijd

Figuur 7: Pensioenleeftijd

Bron: 31.12.2016: 35 onderzochte plannen – 31.12.2017: 75 onderzochte plannen

Figuur 7 toont de toegepaste pensioenleeftijd voor de onderzochte pensioenplannen eind 2017, in vergelijking met eind 2016. De pensioenleeftijden van de meeste (91%) pensioenplannen van de onderzochte bedrijven zijn 63, 64 en 65 jaar. Ongeveer 76% van de ondervraagde bedrijven maakt gebruik van de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. Sommige respondenten kiezen nog steeds voor 60 of 62 jaar als pensioenleeftijd, maar het zijn er minder dan vorig jaar.

Verder zien we, net als vorig jaar, dat geen enkel pensioenplan rekening hield met een pensioenleeftijd boven de 65 jaar.

Conclusie

Dit is de tweede Belgische editie van de KPMG Pensions Accounting Survey. Eind 2017 waren dit de belangrijkste trends met betrekking tot IAS 19-veronderstellingen in België:

  • De gemiddelde disconteringsvoet eind 2017 is licht gestegen ten opzichte van eind 2016.
  • In overeenstemming met de langetermijnrichtsnoeren van de ECB bleven de waargenomen inflatiecijfers stabiel rond 1,80%.
  • Gemiddeld genieten werknemers een verdiensteverhoging van ongeveer 1,30% bovenop een loonstijging overeenkomstig de inflatie wanneer het een vast cijfer betreft. Bovendien zien we een dalende trend overeenkomstig de leeftijd van de deelnemers, wat de algemene perceptie bevestigt dat jongere werknemers meer kans maken op een hogere salarisverhoging dan oudere werknemers.
  • De cijfers voor personeelsverloop zijn leeftijdsgebonden. De waargenomen percentages dalen sneller in de leeftijdsgroep van 24 tot 49 jaar dan in de groep van 50 tot 65 jaar en in vergelijking met vorig jaar is er een algemene stijging van de verloopcijfers voor de leeftijdsgroep onder de 40 jaar en een algemene daling voor de oudere leeftijdsgroepen.
  • De toegepaste leeftijdscorrectie op de in België gebruikte MR/FR-sterftetafels is gemiddeld drie jaar. Daarnaast wordt de correctie van -5 jaar vaker toegepast. Ondanks deze stijging blijft de belangstelling voor deze leeftijdsgebonden tafels momenteel vrij beperkt.
  • De gemiddelde pensioenleeftijd in de deelnemende ondernemingen is 65 jaar. In enkele zeldzame gevallen werden nog restanten van de vroegere wetgeving waargenomen (pensioenleeftijd van 60 of 62 jaar).

 

Meer in het algemeen stelden we vast dat de financiële of HR-teams van de onderzochte ondernemingen veronderstellingen hanteren die markttrends weergeven die in overeenstemming zijn met de internationale normen en andere wettelijke vereisten. Dit is lovenswaardig, gezien het steeds veranderende landschap waarin zij opereren.

Vanuit algemeen boekhoudkundig oogpunt en op basis van onze ervaring, heeft de wettelijke context een duidelijke impact op de pensioenboekhouding. Bij elke nieuwe wetgeving past de markt zich aan. Aangezien er de komende maanden en jaren weer veel veranderingen worden verwacht, zijn we benieuwd wat dit zal betekenen voor de toekomstige ontwikkeling van de pensioenmarkt in België. Het staat vast dat de DC-plannen een sleutelrol blijven spelen, maar hun impact zou verder kunnen reiken en we zijn benieuwd om te zien tot waar.

Wij willen alle deelnemers van harte bedanken. Volgend jaar brengen we naar verwachting opnieuw een benchmarkanalyse en we zijn benieuwd hoe de veronderstellingen in de nabije toekomst zullen evolueren.

Neem contact met ons op