Eerlijk belasten in een digitale economie | KPMG | BE
close
Share with your friends

Eerlijk belasten in een digitale economie

Eerlijk belasten in een digitale economie

De digitalisering van onze economie creëert ongekende mogelijkheden voor ondernemers en gebruikers. Toch blijft het zoeken naar een evenwichtige balans tussen deze ondernemingen alle groeikansen bieden en eerlijk belasten in een geglobaliseerde online economie. De afgelopen maanden domineerde vooral het gegeven van privacy in een digitale economie- het schandaal bij Facebook en de introductie van de GDPR – terwijl een hertekening van ons fiscaal systeem voor heel wat minder ophef zorgt. Nochtans is de inzet hoog en zijn de uitdagingen allerminst gering.

Partner, KPMG Tax & Legal Advisers

KPMG in België

Contact

Gerelateerde content

Eerlijk belasten in een digitale economie

In maart lanceerde de Europese Commissie twee voorstellen om eerlijk te belasten in een digitale economie. Vandaag betalen onlineondernemingen relatief weinig belastingen op hun aangeboden diensten. Voor alle duidelijkheid: dit heeft niets te maken met belastingontduiking of -ontwijking. Net als alle andere bedrijven zijn ook digitale ondernemingen onderworpen aan belastingen in het land waar ze gevestigd zijn. Meer nog: onlineondernemingen zijn vooral gevestigd in landen met een normaal belastingregime en genieten zodoende niet van een laag belastingtarief. 

Maar de voorstellen van de Commissie moeten ervoor zorgen dat – ook in een digitale economie – bedrijven hun ‘fair share’ aan belastingen betalen op de digitale diensten die ze aanbieden in de EU. Want op basis van de huidige belastingregels kunnen onlineondernemingen inkomsten verwerven in een ander land dan waar ze gevestigd zijn zonder daar effectief belastingen te betalen. Het belastingrecht is immers niet ontworpen met het oog op ondernemingen die wereldwijd en online actief zijn. 

Klassieke “bakstenen” ondernemingen oefenen hun activiteiten in het buitenland steeds uit via een fysieke aanwezigheid. Het land waarin de onderneming is gevestigd, kan de winst belasten. Een onlineonderneming werkt uiteraard totaal anders. Neem het voorbeeld van een onlineplatform dat beheerd en onderhouden wordt door een digitale onderneming in land A, maar waarvan de eindgebruikers zijn gevestigd in land B. De data en gegevens die door de eindgebruikers (land B) in het onlineplatform worden opgeladen, worden vervolgens verkocht door de onlineonderneming (land A) aan reclamebureaus. In dit voorbeeld heeft de onlineonderneming enkel een fysieke aanwezigheid in het land A. Bijgevolg wordt onder de huidige regels de gehele waardecreatie en winst toegewezen aan haar vestiging in het land A, waardoor deze digitale onderneming enkel in land A belastingen betaalt.

De digital service tax – een tussenoplossing

Het land B loopt onder de huidige regels dus inkomsten mis, aangezien een deel van de waarde – en dus de winst – wordt gecreëerd op basis van data en gegevens van de eindgebruikers uit land B. Conclusie: de waardecreatie bij onlineondernemingen is fundamenteel verschillend van deze bij klassieke “bakstenen” vennootschappen. Bij onlineondernemingen vloeit de waarde voort uit een combinatie van algoritmes, gebruikersdata, verkoopfuncties en kennis. Een deel van de waarde kan ook worden gecreëerd door de eindgebruikers, maar dit is niet altijd het geval en is voor elke digitale dienst verschillend. 

Eén van de voorstellen van de Europese Commissie om hieraan tegemoet te komen is de invoering van een “digital service tax” – ook bekend als de “GAFA-tax”. Dit is een voorlopige belasting van 3% op de omzet uit bepaalde digitale diensten. Het gaat dan meer concreet over de verkoop van online-advertentieruimte, intermediaire activiteiten waarbij gebruikers met elkaar in contact kunnen komen of elkaar goederen/diensten kunnen verkopen en de verkoop van data van gebruikers.

In het voorstel van de Commissie moeten ondernemingen de digital service tax betalen aan de EU-lidstaten waar de gebruikers van hun digitale diensten actief zijn. Deze belasting is enkel van toepassing op onlineondernemingen met een wereldwijde omzet van minstens 750 miljoen euro en een omzet van minstens 50 miljoen euro binnen de Europese Unie. Op deze manier worden KMO’s en start ups uitgesloten van de belasting.

Einddoel: een virtuele vaste inrichting

Voor de Europese Commissie is deze digitale service tax slechts een tussenoplossing om digitale ondernemingen eerlijk te belasten én te verhinderen dat de lidstaten zelf een eigen wetgeving opstellen die de interne markt verstoort. Zo zijn Spanje en Italië hiermee al begonnen. Het einddoel van de Europese Commissie is een éénzijdige hervorming van de grondvesten van het huidige belastingrecht door de invoering van een belastbare “digitale aanwezigheid” of een “virtuele vaste inrichting”.

Een “digitale aanwezigheid” of een “virtuele vaste inrichting” in een ander land dan waar de onlineonderneming is gevestigd, laat toe om een deel van de waardecreatie - en dus de winst - aan deze digitale aanwezigheid of toe te kennen. Deze winst kan vervolgens worden belast door het land waar de digitale aanwezigheid gelokaliseerd is. Concreet komt een onlineonderneming in aanmerking voor deze belasting in een EU-lidstaat wanneer jaarlijks meer dan 7 miljoen euro omzet gerealiseerd wordt op aangeboden digitale diensten, wanneer er jaarlijks minstens honderdduizend gebruikers zijn van deze diensten of wanneer er jaarlijks meer dan drieduizend zakelijke contracten worden gesloten voor onlinediensten met gebruikers uit deze lidstaat. De invoering van dit concept, door de verschillende lidstaten van de Europese Unie, betekent uiteraard ook de opheffing van de voorlopige “digital service tax”.

Beide voorstellen van de Commissie bieden het voordeel dat het debat rond eerlijk belasten in een digitale tijdperk geopend is. Het Oostenrijkse EU-voorzitterschap beschouwt een akkoord over de digital service tax alvast als één van haar prioriteiten voor dit najaar. Lidstaten zoals Duitsland, Ierland, Luxemburg en Zweden – met een belangrijke digitale economie - hebben wel hun twijfels bij wat vandaag voorligt. Ook aan de overkant van de oceaan worden deze ontwikkelingen heel nauw opgevolgd. De belangrijkste grote techbedrijven – Google, Amazon, Facebook, Apple – zijn in de Verenigde Staten gevestigd. Het hoeft geen verdere uitleg dat - op een moment dat de handelsrelaties al erg gespannen zijn – de invoering van de digital service tax bijkomende spanningen kan opleveren.

Weeffouten in de EC-voorstellen

De politieke realiteit zal uitwijzen welke richting het voorstel van de EC zal uitgaan. Toch zijn er ook belangrijke inhoudelijke bemerkingen – zelfs weeffouten - bij wat vandaag voorligt. De Europese Commissie scheert alle onlinediensten over één kam, waarbij men uitgaat van het feit dat de belangrijkste waarde wordt gecreëerd door de eindgebruikers van de onlinediensten. Maar is dat wel altijd het geval? Bij bepaalde diensten ligt de meeste waarde vooral bij de achterliggende software en algoritmes. Het is ook perfect mogelijk dat eindgebruikers van onlinediensten geen of beperkte data voortbrengen of dat hun data geen economische waarde vertegenwoordigt. Conclusie: een verdere onderverdeling is nodig om te spreken van een “faire” belasting, iets waarover geen sprake is in de huidige voorstellen. 

Een tweede onduidelijkheid rijst over klassieke “bakstenen” ondernemingen die ook digitale diensten aanbieden, aangezien heel wat bedrijven hun goederen of diensten aanbieden via een onlineplatform of een website. Moeten deze ondernemingen hun “fair share” betalen? De voorstellen van de Commissie gaan hier alvast niet op in. 

Door de invoering van de “digital service tax” ontstaat er bovendien een risico op dubbele belasting. Onlineondernemingen betalen vandaag al belastingen in hun land van vestiging. In de toekomst zouden ze ook nog eens belast worden op hun omzet door de verschillende EU-lidstaten waar ze actief zijn. Om dubbele belasting te vermijden, verwacht de Europese Commissie dat de lidstaten van de Europese Unie de betaalde “digital service tax” aanmerken als een aftrekbare beroepskost voor de onlineondernemingen. Dit laatste is echter niet opgenomen als een dwingende bepaling in het voorstel van de Europese Commissie en is dus afhankelijk van de goodwill van de verschillende lidstaten. Zodoende blijft het risico op dubbele belasting reëel. 

Een laatste fundamentele opmerkingen bestaan erin dat de “digital service tax” ook verschuldigd is wanneer een onlineonderneming in een verliessituatie verkeert, aangezien de belasting wordt berekend op de gerealiseerde omzet in plaats van winst. Bovendien zullen de onlineondernemingen hetzelfde niveau van “digital tax” betalen, ongeacht of zij hoge of lage marges realiseren. Vinden wij dit wel “eerlijk”?

Beide voorstellen zijn uiteraard nog geen finale wetgeving. Alle lidstaten zullen de voorstellen eerst unaniem moeten goedkeuren. Maar Europa staat niet op zichzelf. Onlineondernemingen werken per definitie globaal: idealiter wordt er dus gestreefd naar een maatregel die op wereldwijd niveau – of minstens binnen de OESO - ontworpen en geïmplementeerd wordt. Indien dit uitblijft, is een oplossing in de schoot van de Europese Commissie het beste alternatief, als men tegemoet komt aan bovenstaande weeffouten. Zo niet zullen lidstaten op eigen houtje een digitale belasting invoeren, wat de werking van de interne markt en de verdere digitale ontwikkeling in de kiem zal smoren.

© 2018 KPMG Belastingconsulenten en Juridische Adviseurs, een Belgische burgerlijke CVBA en lid van het KPMG netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn met KPMG International Cooperative (“KPMG International”), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig