Belgische circulaire omtrent aftrek ‘pro rata temporis’ | KPMG | BE
close
Share with your friends

Nieuwe Belgische circulaire omtrent aftrek ‘pro rata temporis’ van vooruitbetaalde beroepskosten

Belgische circulaire omtrent aftrek ‘pro rata temporis’

Nieuwe Belgische circulaire omtrent aftrek ‘pro rata temporis’ van vooruitbetaalde beroepskosten

Met een circulaire van 10 april 2018 heeft de fiscale administratie wat meer klaarheid trachten te scheppen omtrent de nieuwe regeling waarbij voor vennootschappen de fiscale aftrek van beroepskosten die eveneens betrekking hebben op latere boekjaren enkel nog ‘pro rata temporis’ wordt toegestaan. Aanleiding voor deze nieuwe regelgeving, die een onderdeel is van de hervorming van de vennootschapsbelasting, is het veelvuldig gebruik van de onmiddellijke aftrek van zulke kosten als fiscale planningstechniek. Voormelde circulaire laat echter na om het toepassingsgebied van de regeling te verduidelijken wanneer er geen sprake is van fiscale planning.

In wat volgt geven wij u kort een opfrissing van de algemene (fiscale en boekhoudkundige) Belgische regels omtrent de aftrek van beroepskosten, gevolgd door een samenvatting van de inhoud van de nieuwe circulaire en de vragen die de administratie hiermee al dan niet beantwoordt.

Aftrekbaarheid van beroepskosten: spelregels

Vanuit fiscaal oogpunt zijn de kosten die gemaakt zijn om inkomsten te verkrijgen of te behouden aftrekbaar als beroepskost. Wanneer deze kosten daadwerkelijk zijn betaald of gedragen (of het karakter van zekere en vaststaande schuld of verlies hebben verkregen en bijgevolg ook zo zijn geboekt) in een bepaald belastbaar tijdperk, zijn ze ook aftrekbaar in dat belastbaar tijdperk. Op die manier wordt het mogelijk om het resultaat van het belastbaar tijdperk in kwestie te verlagen met kosten die eigenlijk betrekking hebben op een later belastbaar tijdperk, hetgeen een populaire planningsmethode is.

Boekhoudkundig is dit enigszins anders. Vanuit boekhoudkundig perspectief wordt er namelijk gebruik gemaakt van overlopende rekeningen om vooruitbetaalde kosten over te dragen naar een volgend boekjaar. We kunnen dus spreken van discrepantie tussen fiscaal recht en boekhoudrecht op het gebied van de behandeling van vooruitbetaalde kosten. Met de nieuwe ‘pro rata temporis’-regeling tracht de wetgever hier een mouw aan te passen.

Voortaan aftrekbaarheid ‘pro rata temporis’

De hervorming van de vennootschapsbelasting bracht immers het nieuwe artikel 195/1 WIB met zich mee, dat stelt dat “de kosten die werkelijk zijn betaald of gedragen, of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt in het belastbare tijdperk, en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk, […] slechts als beroepskosten aftrekbaar [zijn] in het belastbare tijdperk waarin ze ofwel zijn betaald of gedragen, ofwel als schuld zijn geboekt, alsmede in de volgende belastbare tijdperken, in verhouding tot het gedeelte van die kosten dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk”.

Met andere woorden: kosten die gedragen worden in het huidige boekjaar, maar die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een volgend boekjaar, kunnen slechts in het huidige boekjaar als beroepskost worden afgetrokken ten belope van het gedeelte dat daadwerkelijk betrekking heeft op het huidige boekjaar.

Vooruitbetaling van kosten zonder “planningsintentie”

Gezien de intentie van de nieuwe regeling (namelijk de toepassing van het matching principle ‘in fiscalibus’ ter verhindering van bepaalde planningstechnieken), rijst de vraag wat de behandeling moet zijn van vooruitbetaalde kosten die gedeeltelijk betrekking hebben op het lopende boekjaar en die gemaakt zijn zonder de intentie om aan fiscale optimalisatie te doen (zoals bijvoorbeeld verzekeringspremies voor bedrijfswagens waarvan de vervaltijd niet samenvalt met het boekjaar).

De tekst van de wet is duidelijk, en heeft het over “kosten […] die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk”. Helaas laat de circulaire na om hier een zekere duiding of nuance aan te geven voor gevallen die niet fiscaal geïnspireerd zijn. Het lijkt er dus vooralsnog op dat in de praktijk ook voor deze gevallen rekening zal moeten gehouden worden met de nieuwe regeling.

Het feit dat er in de parlementaire voorbereiding en de circulaire enkel wordt gefocust op voorbeelden waarbij de belastingbetaler kosten vooruitbetaalt in het lopende boekjaar die volledig gerelateerd zijn aan een volgend boekjaar (en daarenboven louter handelt vanuit fiscale motieven), leek de deur op een kier te laten voor administratieve tolerantie voor gevallen waar dit niet zo is. Echter, heeft de Minister van Financiën in een antwoord op een Parlementaire Vraag dd. 22 mei 2018 geantwoord dat hij het niet opportuun acht om in bepaalde gevallen van het matchingprincipe af te wijken en in administratieve toleranties te gaan voorzien, ongeacht of één en ander al dan niet kadert in een fiscale planning. De Minister van Financiën bevestigt dat de hervorming van de vennootschapsbelasting voorziet dat vennootschappen verplicht zijn om ook op fiscaal vlak het boekhoudkundige matchingprincipe, toe te passen voor de aftrek van beroepskosten. De bepaling heeft een algemene draagwijdte en wordt – zo stelt de Minister - niet beperkt tot de loutere planningstechnieken.

Voor de volledigheid merken wij nog op dat in Nederland het matchingsbeginsel onderdeel is van de ‘reguliere’ bedrijfseconomische en fiscale winstbepalingsregels. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen gevallen die wel of niet gericht zijn op fiscale planning.

Voor verdere informatie, kan u terecht bij ons team van experten.

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

Gerelateerde content