Verbeteringswerken aan gehuurde gebouwen | KPMG | BE
close
Share with your friends

Verbeteringswerken aan gehuurde gebouwen

Verbeteringswerken aan gehuurde gebouwen

Verbeteringswerken aan gehuurde gebouwen

Met betrekking tot uitbreidings- of verbeteringswerken aan gehuurde goederen beschikken partijen veelal over een uitgebreide contractuele vrijheid. In de meeste gevallen is er namelijk geen dwingende wettelijke regeling. De huurder en de verhuurder kunnen dus onderling een vergoedingsregeling afspreken indien de huurder de verbeteringswerken bij het einde van het contract laat staan.

Boekhoudkundige verwerking

Wanneer een huurder uitbreidings- of verbeteringswerken heeft aangebracht aan de door hem gehuurde goederen, boekt de huurder de met deze werken verbonden kosten op de rekening ‘26 Andere materiële vaste activa’. Vervolgens schrijft hij deze werken af volgens een passend afschrijvingsplan. Dit afschrijvingsplan zal afhankelijk zijn van de concrete situatie (vergoedingsregeling, duur huurcontract, …).

In het geval de huurder uitbreidings- of verbeteringswerken heeft uitgevoerd waarvoor hij van de verhuurder desgevallend een vergoeding krijgt bij afloop van het huurcontract, zal bij afloop van het huurcontract, naargelang het geval, een meerwaarde of een minderwaarde worden geboekt.

In het geval de huurder uitbreidings- of verbeteringswerken heeft uitgevoerd waarvoor hij van de verhuurder geen vergoeding krijgt bij afloop van het huurcontract, zijn deze werken in principe volledig ten laste genomen volgens een passend afschrijvingsplan en moeten deze werken bij afloop van het huurcontract nog enkel worden uitgeboekt.

Boeken van een passende voorziening om het gehuurde goed in zijn oorspronkelijke staat te herstellen

Op basis van de concrete omstandigheden, kan het bestuursorgaan van oordeel zijn dat een voorziening moet worden aangelegd om het gehuurde goed bij afloop van de overeenkomst in zijn oorspronkelijke staat te herstellen (repareren of afbreken). Het boeken van een voorziening vloeit voort uit de toepassing van het voorzichtigheidsbeginsel. Dit neemt niet weg dat de beoordeling of een voorziening moet worden aangelegd te goeder trouw moet gebeuren, en dat de voorziening moet stroken met de realiteit.

Dit impliceert dat in het geval waarin de huurovereenkomst stipuleert dat de huurder op het einde van het huurcontract het gehuurde goed in zijn oorspronkelijke staat moet herstellen, de huurder in beginsel een passende voorziening zal moeten aanleggen op grond van het voorzichtigheidsbeginsel. Kan de huurder evenwel te goeder trouw ervan uitgaan dat hij, ondanks andersluidende contractuele bepalingen, de verbeteringswerken niet zal moeten verwijderen bij afloop van de overeenkomst, dan zal hij logischerwijs in dit concrete geval geen voorziening aanleggen voor de verwijdering ervan.

Gerelateerde content