Arrest Europese Hof van Justitie | KPMG | BE
close
Share with your friends

Arrest Europese Hof van Justitie over per-elementbenadering in Nederlandse fiscale eenheid

Arrest Europese Hof van Justitie

Arrest Europese Hof van Justitie over per-elementbenadering in Nederlandse fiscale eenheid

Het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) heeft op 22 februari 2018 uitspraak gedaan over de per-elementbenadering, waarover wij u ook in de november 2017-editie van deze nieuwsbrief informeerden. Naar aanleiding hiervan zullen de eerder aangekondigde noodmaatregelen worden geïntroduceerd. Omdat deze noodmaatregelen verregaande gevolgen kunnen hebben voor bestaande Nederlandse concerns, informeren wij u als volgt.

Vooraf

De Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (‘Wet Vpb’) kent diverse renteaftrekbeperkingen. Relevant in dit geval is de renteaftrekbeperking op basis van artikel 10a Wet Vpb. In het (heel) kort bepaalt dit wetsartikel dat de rente op leningen van verbonden lichamen die worden gebruikt voor kapitaalstortingen, dividenduitkeringen en/of acquisities onder omstandigheden niet aftrekbaar is. Hierbij moet worden opgemerkt dat artikel 10a Wet Vpb in de loop van de tijd diverse malen is gewijzigd en dat de procedure het jaar 2004 betreft. In 2004 was artikel 10a Wet Vpb niet van toepassing op externe acquisities, wat op basis van de huidige bepaling wel het geval is.

Verder is van belang dat het Nederlandse fiscale-eenheidsregime is gebaseerd op de consolidatiegedachte, waarbij alle onderdelen van de fiscale eenheid worden gezien als één belastingplichtige en transacties tussen onderdelen van dezelfde fiscale eenheid fiscaal non-existent zijn voor de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting. Een fiscale eenheid kan alleen worden aangegaan tussen in Nederland gevestigde vennootschappen.

De casus

De belastingplichtige in casu (X BV) was onderdeel van een Zweeds concern en de moedermaatschappij van een Nederlandse fiscale eenheid. X BV had van de Zweedse topholding een lening aangetrokken, die zij gebruikte om kapitaal te storten in een nieuw opgerichte Italiaanse vennootschap (G Spa). Die wendde op haar beurt het geld aan om een andere Italiaanse vennootschap (C Spa) van de beurs te halen. C Spa was reeds voor ruim 70% in handen van het Zweedse concern, de rest was in handen van derden. G Spa kocht uiteindelijk het grootste gedeelte van de door derden gehouden aandelen in C Spa (externe acquisitie).

De (Nederlandse) Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat de rente over 2004 op de lening tussen X BV en de Zweedse topholding niet aftrekbaar was op grond van artikel 10a Wet Vpb. X BV had immers geleend van een verbonden lichaam en die lening gebruikt voor een kapitaalstorting.

X BV stelde zich echter op het volgende standpunt. Indien de nieuw opgerichte Italiaanse vennootschap (G Spa) in Nederland zou zijn gevestigd, zou G Spa kunnen worden opgenomen in de Nederlandse fiscale eenheid. Als gevolg daarvan zou de kapitaalstorting door X BV in G Spa fiscaal non-existent zijn geweest. Dan zou men dus een fiscale eenheid zien die leent van een verbonden lichaam en de geleende gelden aanwendt voor een externe acquisitie, namelijk de aankoop van C Spa, zodat de door X BV over 2004 verschuldigde rente op basis van de toen geldende wetgeving aftrekbaar was.

X BV stelde dat sprake was van strijdigheid met de vrijheid van vestiging, omdat zij de rente niet kon aftrekken, terwijl dat wel zou kunnen indien zij in plaats van G Spa een gevoegde Nederlandse entiteit zou hebben gebruikt.

Reactie Nederland

Direct na publicatie van de conclusie van de advocaat-generaal op 25 oktober 2017 kondigde de Nederlandse overheid reeds noodmaatregelen aan om de eventuele gevolgen van een voor Nederland negatieve beslissing van het HvJ het hoofd te bieden. De kern van de noodmaatregelen is dat diverse bepalingen in de Wet Vpb moeten worden toegepast alsof de fiscale eenheid niet bestaat. De regelingen die eerder werden genoemd zijn artikel 10a Wet Vpb, de deelnemingsvrijstelling (met betrekking tot de beoordeling of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming, alsmede de antihybride maatregel), de aftrekbeperking ter zake van bovenmatige deelnemingsrente, de verliesverrekening bij wijziging van het belang en – in de dividendbelasting – de afdrachtvermindering bij dooruitdelingen.

Vlak na publicatie van de uitspraak op 22 februari 2018 heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën een brief naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin hij schrijft dat de wetteksten voor de in oktober 2017 aangekondigde noodmaatregelen in het tweede kwartaal van 2018 aan de Tweede Kamer zullen worden aangeboden. Hij bevestigt bovendien dat deze maatregelen, zoals eerder aangekondigd, terugwerkende kracht zullen hebben tot 25 oktober 2017, 11.00 uur en dat mogelijk zelfs additionele maatregelen nodig zullen zijn.

In de brief merkt de staatssecretaris op dat er binnen afzienbare tijd een toekomstbestendig concernregime zal moeten worden ingevoerd, waarbij de consolidatiegedachte zoals deze in het huidige Nederlandse fiscale-eenheidsregime bestaat, naar alle waarschijnlijkheid zal worden losgelaten.

Hoewel over de noodreparatiemaatregelen en de toekomst van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime nog veel onduidelijkheid bestaat, hebben het arrest en de aangekondigde maatregelen verstrekkende gevolgen. Zo kan de bijzondere situatie ontstaan dat rente op een geldlening binnen een fiscale eenheid, die in beginsel non-existent is, op basis van de noodmaatregelen tot een niet-aftrekbaar bedrag zal leiden.

Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen en adviseren u intussen samen met uw vaste adviseur alle leningen en rechtshandelingen die binnen een fiscale eenheid bestaan of hebben plaatsgevonden te inventariseren en te beoordelen in hoeverre de aangekondigde maatregelen u kunnen raken.

Ga terug naar de overzichtspagina

Gerelateerde content