Wordt de btw-administratie soepeler? | KPMG | BE

Wordt de btw-administratie soepeler inzake de verplichte factuurvermeldingen?

Wordt de btw-administratie soepeler?

Wordt de btw-administratie soepeler inzake de verplichte factuurvermeldingen?

Op 12 oktober 2017 heeft de btw-administratie een circulaire gepubliceerd. Daarin geeft ze toelichting bij recente rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande de voorwaarden waaronder een btw-plichtige zijn recht op aftrek van de btw kan uitoefenen, en in het bijzonderheid de rol van de regelmatige factuur op basis waarvan hij zijn recht op aftrek kan uitoefenen (Circ. Nr. 2017/C/64, 12 oktober 2017).

Wettelijke bepaling

Een btw-plichtige moet bij de uitoefening van zijn recht op aftrek van de btw de voorwaarden van artikel 45 WBTW in acht nemen, meer bepaald:

  • de materiële voorwaarde: wat inhoudt dat de aan hem geleverde goederen en verleende diensten worden gebruikt voor het verrichten van handelingen die een recht op aftrek verlenen;
  • de formele voorwaarde: wat inhoudt dat de btw-plichtige in het bezit is van een factuur (overeenkomstig artikel 53, §2 en 53decies, §2 WBTW) waarop de minimum wettelijke verplichte vermeldingen voorkomen (zoals bedoeld in artikel 5, §1 van KB nr. 1).

Meerdere arresten van het Hof: ‘substance over form’

In meerdere recente arresten heeft het Hof van Justitie benadrukt dat het fundamentele beginsel van btw-neutraliteit eist dat aftrek van btw wordt toegestaan indien de materiële voorwaarde is vervuld, ook wanneer een btw-plichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden (Senatex GmbH, C-518/14 van 15.09.2016; Barlis, C-516/14 van 15.09.2016; Trawertyn, C-280/10 van 01.03.2012).

Het Hof heeft meerdere keren het ‘substance over form’-principe bevestigd, meer bepaald:

  • indien de btw-administratie over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, de btw-administratie voor het recht op aftrek van btw geen nadere voorwaarden mag stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd;
  • er kunnen immers omstandigheden bestaan waarin de gegevens geldig kunnen worden vastgesteld aan de hand van andere middelen dan een factuur;
  • de btw-administratie mag zich er niet toe beperken enkel de factuur zelf te onderzoeken, maar zij moet ook rekening houden met aanvullende informatie die de btw-plichtige verstrekt;
  • de btw-administratie het recht op aftrek van btw niet kan weigeren, wanneer voldaan is aan de materiële voorwaarden voor aftrek, en de betrokken btw-administratie vóór de vaststelling van haar beslissing van de btw-plichtige een gecorrigeerde factuur heeft ontvangen.

Gevolgen voor de Belgische praktijk

Wanneer een factuur onjuist of onvolledig is, weigert de btw-administratie in principe de aftrek van btw. De administratieve aanschrijving stelt dat het ontbreken van een verplichte factuurvermelding of een onjuiste vermelding in de praktijk nu al doorgaans met een zekere soepelheid wordt toegepast.

Naar aanleiding van de recente arresten van het Hof van Justitie wil de btw-administratie deze soepelheid nog meer kracht bijzetten. Het recht op aftrek van btw dat werd uitgeoefend op grond van een onregelmatige factuur, mag namelijk niet noodzakelijkerwijze aanleiding geven tot een verwerping van het recht op aftrek van btw door de btw-administratie.

Dit betekent dat wanneer de door de btw-plichtige voorgelegde factuur niet regelmatig en/of onvolledig is, de btw-administratie het recht op aftrek zal beoordelen:

  • op basis van een gecorrigeerde factuur (art. 53, § 2, derde lid WBTW en art. 12 K.B. nr. 1); en/of
  • in combinatie met aanvullende bewijsstukken die ondubbelzinnig betrekking hebben op de factuur en die door de belastingplichtige worden voorgelegd, voor zover:
    • het bewijs wordt geleverd dat de materiële voorwaarden van het recht op aftrek zijn voldaan; en
    • de btw-plichtige zich niet heeft schuldig gemaakt aan fraude, misbruik of wist of had moeten weten dat de handeling onderdeel was van fraude of misbruik.

De gecorrigeerde facturen en/of aanvullende bewijsstukken moeten tijdig aan de btw-administratie worden voorgelegd, d.w.z. vóór de beëindiging van de btw-controle. Het ‘substance over form’-principe bij de uitoefening van het recht op aftrek staat hierdoor sterker in zijn schoenen. Uiteraard is het nog steeds aangewezen om in het bezit te zijn van een factuur die alle wettelijk verplichte factuurvermelding bevat.

Neem contact met ons op

Gerelateerde content