Nieuwe afzonderlijke aanslag | KPMG | BE

Nieuwe afzonderlijke aanslag bij ontoereikende bedrijfsleidersbezoldigingen.

Nieuwe afzonderlijke aanslag

Nieuwe afzonderlijke aanslag bij ontoereikende bedrijfsleidersbezoldigingen.

De hervorming van de Belgische vennootschapsbelasting laat niemand onberoerd. Eén van de minder gekende bepalingen van de doorgevoerde hervorming, maar daarom niet minder belangrijk, is de invoering van een afzonderlijke aanslag die zal worden gevestigd in het geval van “ontoereikende bedrijfsleidersbezoldigingen”. De nieuwe regelgeving zal van toepassing zijn vanaf het eerste boekjaar dat aanvangt vanaf 1 januari 2018.

Afzonderlijke aanslag: geldt voor alle vennootschappen onderworpen aan Belgische vennootschapsbelasting.

Wanneer een vennootschap (onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting, al dan niet KMO) niet aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een bezoldiging heeft toegekend die ten minste gelijk is aan (a) ofwel 45.000 euro, (b) ofwel het belastbare resultaat indien dit kleiner is, zal zij op basis van de wettekst onderworpen worden aan een nieuwe afzonderlijke aanslag. Wanneer een vennootschap een belastbaar resultaat heeft ten belope van 25.000 euro en reeds een bedrijfsleidersbezoldiging ten belope van 25.000 euro betaald heeft, is ze hier dus niet aan onderworpen. Pas in dit laatste geval wel op aangezien er dient rekening gehouden te worden met het belastbaar resultaat zoals dat nog kan gewijzigd worden bij een fiscale controle.

Aangezien deze vergoeding dient betaald te worden aan een bedrijfsleider (natuurlijke persoon) zal de afzonderlijke aanslag steeds verschuldigd zijn wanneer de vennootschap enkel rechtspersonen als bestuurders heeft.

Indien de minimumbezoldiging niet wordt gerespecteerd, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd in hoofde van de vennootschap van 10% op het positieve verschil tussen de minimumbezoldiging en de werkelijk in dat jaar toegekende bezoldiging. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat deze afzonderlijke aanslag zich gedurende de eerste twee jaren volgend op de inwerkingtreding van deze maatregel (voor aanslagjaren 2019 en 2020), zal beperken tot 5%, om vennootschappen de tijd te geven hun bezoldigingspolitiek aan te passen.

Deze afzonderlijke aanslag zal een fiscaal aftrekbare kost uitmaken in hoofde van de vennootschap.

Voor verbonden vennootschappen waarvan ten minste de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van deze betrokken vennootschappen, kan om de hoogte van de bezoldiging te bepalen het totaal van de door deze vennootschappen aan één van diezelfde bedrijfsleiders gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het totaal van het bedrag van de minimum bezoldiging wordt in dat geval op EUR 75.000  gebracht. Stel vennootschap X heeft twee 100% dochtervennootschappen Y en Z. In X is er één bedrijfsleider: A. Bij Y zijn er twee bedrijfsleiders: A en B. Z heeft drie bedrijfsleiders: A, B en C. In dit geval zal enkel rekening gehouden mogen worden met de aan A betaalde bezoldigingen door X en Y. Vennootschap Z zal volledig afzonderlijk bekeken worden. Wanneer deze niet aan één bedrijfsleider de minimum bezoldiging betaald heeft, zal ze de afzonderlijke aanslag verschuldigd zijn.

Indien in het hierboven vermelde voorbeeld C een rechtspersoon is, zullen alle drie de vennootschappen aan de voorwaarden voldoen. Dit omdat er om te berekenen dat de helft van de bedrijfsleiders dezelfde zijn, enkel dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsleiders - natuurlijke personen en niet met de bestuurders - rechtspersonen. De bezoldiging die A krijgt in vennootschappen X, Y en Z zal dan ook in aanmerking mogen genomen worden.

Wanneer verbonden vennootschappen niet minstens één bedrijfsleider in het totaal een bezoldiging van EUR 75.000 betalen, is enkel de vennootschap binnen de groep met de hoogste belastbare basis de afzonderlijke aanslag verschuldigd.

Wanneer we ervan uitgaan dat een (niet-verbonden) vennootschap géén bedrijfsleidersbezoldiging betaalt voor aanslagjaren 2019 en 2020, zal de afzonderlijke heffing in de eerste twee jaren jaarlijks maximaal 2.250 EUR bedragen en daarna jaarlijks 4.500 EUR.

Ten slotte werd nog een vrijstelling van de afzonderlijke aanslag voorzien voor kleine vennootschappen gedurende de eerste vier belastbare tijdperken na hun oprichting.

Let op: voor KMO-vennootschappen is de minimumbezoldiging ook van belang om van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting voor KMO-vennootschappen te kunnen genieten

Om te genieten van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting voor KMO-vennootschappen, is de minimum bezoldiging van EUR 36.000 aan (ten minste één) bedrijfsleider natuurlijke persoon verhoogd tot EUR 45.000.

KMO-vennootschappen zullen dan - vanaf aanslagjaar 2019 – genieten van het verlaagde tarief van 20,40% (aanvullende crisisbijdrage inbegrepen) voor de eerste schijf aan belastbaar inkomen van EUR 100.000. Vanaf het aanslagjaar 2021 zal het verlaagd tarief verder dalen tot 20% voor de eerste schijf aan belastbaar inkomen van EUR 100.000 (en zal de aanvullende crisisbijdrage worden geschrapt).

In het kader van bovenstaande, is het voor Belgische vennootschappen alleszins aangeraden om hun bezoldigingspolitiek tijdig te bekijken. Onze experten zijn steeds ter beschikking voor al uw vragen met betrekking tot de nieuwe maatregelen.

Neem contact met ons op

Gerelateerde content