Implementatie ATAD 1 in NL wetgeving | KPMG | BE

Implementatie ATAD 1 in NL wetgeving

Implementatie ATAD 1 in NL wetgeving

In onze nieuwsletter van maart 2017 hebben wij u al geïnformeerd over de Anti Tax Avoidance Directive (hierna: ATAD). Deze Europese richtlijn schrijft lidstaten voor een vijftal maatregelen te nemen tegen belastingontwijking.

1000

Gerelateerde content

Implementatie ATAD 1 in NL wetgeving

In onze nieuwsletter van maart 2017 hebben wij u al geïnformeerd over de Anti Tax Avoidance Directive (hierna: ATAD). Deze Europese richtlijn schrijft lidstaten voor een vijftal maatregelen te nemen tegen belastingontwijking. De richtlijn verplicht zowel Nederland en België als alle andere lidstaten om de volgende maatregelen te nemen:

  1. een beperking van de aftrekbaarheid van rente in de vorm van een earningsstrippingregeling
  2. een regeling voor exitheffingen
  3. een algemene antimisbruikbepaling (General Anti Abuse Rule, GAAR)
  4. een regeling voor gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en vaste inrichtingen (controlled foreign companies, CFC’s)
  5. een maatregel tegen hybride mismatches

De eerste vier maatregelen worden tezamen aangeduid als ‘ATAD 1’ en dienen in beginsel vanaf 1 januari 2019 in de nationale wetgeving van iedere lidstaat geïmplementeerd te zijn. Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft op 10 juli 2017 een internetconsultatie geopend en in het kader daarvan een conceptwetsvoorstel gepubliceerd voor de implementatie van ATAD 1 in de Nederlandse wetgeving, met name in de Wet op de Vennootschapsbelasting. De consultatie is inmiddels afgesloten op 21 augustus2017 en er zijn commentaren en reacties van diverse partijen ingediend.

In deze bijdrage gaan wij specifiek in op de voorgeschreven renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingregeling en de in de ATAD opgenomen versoepelingen. 

ATAD 1 legt EU-lidstaten de verplichting op om een algemene renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingregeling in te voeren. Deze maatregel is erop gericht om binnen concern grondslaguitholling en winstverschuiving door middel van rentebetalingen te voorkomen. Deze renteaftrekbeperking kent, in tegenstelling tot de bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen in de Wet VPB, een algemeen karakter. Het begrip rente is ruim gedefinieerd. Ook valutaresultaten en kosten kwalificeren bijvoorbeeld als rente.  De earningsstrippingmaatregel treft niet alleen nieuwe schulden, de regeling is ook van toepassing op schulden ontstaan voor invoering van deze maatregel.

De earningsstrippingmaatregel is niet van toepassing op een “op zichzelf staande entiteit”. De entiteit mag dan geen deel uitmaken van een groep en niet met een andere onderneming gelieerd zijn (ruwweg indien niemand een belang van meer dan 25% heeft in de entiteit). Ook mag de onderneming geen vaste inrichting hebben.

De voorgeschreven earningsstrippingregeling zorgt ervoor dat het overschot aan rentelasten (aftrekbare rentelasten – belaste rentebaten) niet in aftrek komt voor zover deze rentelasten meer bedragen dan 30% van de fiscale EBITDA. De fiscale EBITDA is de belastbare winst (dus vrijgestelde inkomsten of niet aftrekbare kosten worden niet meegenomen) vermeerderd met het overschot aan rentelasten en het bedrag van de afschrijvingen.

Ter illustratie is hieronder een voorbeeld opgenomen:

X B.V.:

Opbrengsten X B.V. in EUR kosten X B.V. in EUR
Opbrengst verkopen 15.000.000 Inkoop 9.000.000
Resultaat deelneming (deelnemingsvrijstelling) 2.000.000 Afschrijvingen 1.000.000
  Rentelasten 4.000.000
  • De fiscale EBITDA van belastingplichtige is € 6.000.000 (resultaat deelneming wordt niet meegenomen, dit is vrijgesteld door de deelnemingsvrijstelling). De totale aftrekcapaciteit is € 1.800.000 (€ 6.000.000 * 30%). Dit is de het maximum aan rentekosten dat van de fiscale winst afgetrokken kan worden.
  • Het overschot aan rente van X B.V. is € 4.000.000 

In het conceptwetsvoorstel is een drempel opgenomen, zodat het overschot aan rente in aftrek komt tot een bedrag van €3.000.000 indien dat hoger is dan 30% van de fiscale EBITDA (zodat kleinere belastingplichtigen niet door de regeling worden getroffen). In bovenstaand voorbeeld zou in beginsel maximaal € 1.800.000 van de € 4.000.000 aan rentelasten in aftrek gebracht mogen worden. Echter, door de in het conceptwetsvoorstel opgenomen drempel kan € 3.000.000 (dit is meer dan 30% van de fiscale EBITDA van X B.V.) in aftrek gebracht worden.

Indien het overschot aan rentelasten de 30% van de fiscale EBITDA of de drempel van €3.000.000 overschrijdt is er nog één escape, de zogenoemde ‘groepsescape’. In het conceptwetsvoorstel zijn twee varianten van een dergelijke groepsescape opgenomen:

  1. De ‘eigenvermogenuitzondering’: de beperking geldt niet indien – kort gezegd – de verhouding tussen het eigen vermogen en totale vermogen van de belastingplichtige ten hoogste 2 procentpunten lager is dan de overeenkomstige groepsratio.
    voorbeeld: X B.V. maakt deel uit van een groep en deze groep heeft in de geconsolideerde jaarrekening een totaal vermogen (totaal aan activa) € 10.000.000 en een eigen vermogen van € 2.000.000 dan is de groepsratio 20%. Als de ratio van eigen vermogen/totaal vermogen van X B.V. 18% of hoger is, zou het renteoverschot toch in aftrek kunnen worden gebracht.
  2. De ‘EBITDA-uitzondering’: het percentage van 30% zoals dat geldt in de EBITDA-regel wordt vervangen door de verhouding tussen de nettorentelasten van de groep en het resultaat voor belasting van de groep, indien die verhouding hoger is dan 30%.
    Voorbeeld: X B.V. maakt deel uit van een groep en deze groep betaalt gedurende het belastingjaar € 12.000.000 rente aan derden. Deze rentelasten worden vervolgens afgezet te worden tegen de EBITDA van de groep. Indien deze EBITDA € 20.000.000 is, is de verhouding van de groep 60%. Deze 60% is gunstiger dan de 30% die volgt uit de earningsstrippingregelging. Hierdoor zou X B.V. recht hebben op een totale aftrek van € 3.600.000 (60% van € 6.000.000) van het renteoverschot in plaats van € 3.000.000.

Tot slot is het mogelijk om van de niet-aftrekbare rente en/of rentecapaciteit voort te wentelen. In de ATAD zijn de volgende mogelijkheden opgenomen:

  1. het niet-aftrekbare overschot aan rentelasten onbeperkt voortwentelen;
  2. het niet-aftrekbare overschot aan rentelasten onbeperkt voortwentelen in combinatie met achterwaartse verrekening van hoogstens drie jaar; of
  3. het niet-aftrekbare overschot aan rentelasten onbeperkt voortwentelen in combinatie met het voortwentelen van de onbenutte rentecapaciteit van vijf jaar.

In het consultatiedocument is gekozen voor optie 1. Volgens het consultatiedocument is deze optie het meest eenvoudig in de uitvoering. Mogelijk dat het (nieuwe) kabinet voor een andere optie kiest.

Het conceptwetsvoorstel bevat dus nog een aantal keuzepunten voor het (nieuwe) kabinet en zal ongetwijfeld nog aangepast worden aan de hand van de diverse commentaren. Tevens moet het nog duidelijk worden of er bestaande renteaftrekbeperkingen gaan verdwijnen. Dat er diverse nieuwe maatregelen worden ingevoerd is echter duidelijk. Bestaande structuren zullen mogelijk moeten worden geherstructureerd voor 1 januari 2019. Uiteraard zijn wij bereid u te assisteren bij het analyseren en “ATAD-proof” maken van uw structuur.

Wij houden u op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen.

Ga terug naar de overzichtspagina

© 2017 KPMG Belastingconsulenten en Juridische Adviseurs, een Belgische burgerlijke CVBA en lid van het KPMG netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn met KPMG International Cooperative (“KPMG International”), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig