Eindafrekening Nederlandse terbeschikkingstellingsregeling

Nederlandse terbeschikkingstellingsregeling

Houdt het stand onder het belastingverdrag tussen Nederland en België?

Gerelateerde content

De Nederlandse fiscale rechters dienen zich regelmatig te buigen over de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling (hierna: TBS-regeling). Op basis van deze antimisbruikregeling worden de inkomsten die een directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) geniet uit het ter beschikking stellen van vermogen – zoals geld of een pand – aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft progressief belast in box 1 in plaats van (forfaitair) in box 3. Van een aanmerkelijk belang is doorgaans sprake indien de betreffende natuurlijke persoon 5% of meer van (een soort van) de aandelen van een vennootschap bezit.

Casus Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

De TBS-regeling geldt ook indien een inwoner van België een in Nederland gelegen pand ter beschikking stelt aan de Nederlandse vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Deze situatie is aan de orde in de casus waarover Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich onlangs heeft uitgelaten.

Daarin was in geschil of het belastingverdrag tussen Nederland en België voorkomt dat Nederland inkomstenbelasting heft bij beëindiging van de TBS-situatie. Omdat voor de vaststelling van het TBS-resultaat het winstregime van toepassing is, werd bij beëindiging van de TBS-situatie – in casu omdat de dga de aandelen verkocht – inkomstenbelasting (box 1) geheven over de in het ter beschikking gestelde pand aanwezige meerwaarde.

De dga stelt zich op het standpunt dat bovengenoemde Nederlandse heffing buiten toepassing dient te blijven op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België.

Het artikel voor vervreemdingswinsten in dit verdrag (artikel 13) wijst het heffingsrecht over de winsten gerealiseerd bij de vervreemding van een in Nederland gelegen onroerende zaak toe aan Nederland. De dga stelt zich echter op het standpunt dat van een vervreemding geen sprake is – het pand werd immers niet vervreemd – en dat Nederland daarom niet bevoegd is over de (niet-gerealiseerde) eindafrekeningswinst te heffen.

Het gerechtshof is het niet eens met standpunt van de dga. Het oordeelt dat ook de beëindiging van de TBS-situatie kwalificeert als een vervreemding in de zin van de bepaling voor vervreemdingswinsten in het verdrag en dat Nederland daarom de heffing op basis van zijn nationale wetgeving onder het verdrag mag effectueren.

Bijzonderheid in de betreffende casus is dat de verkoop van de aandelen plaatsvond in het jaar 2006 en dat de aandelen werden geleverd in het jaar 2007. De dga stelt zich (subsidiair) op het standpunt dat de TBS-situatie eindigde in 2007 en geeft aan dat hij, indien dat het geval was, de verkoopwinst reeds in 2006 wenst te verantwoorden. Omdat het gerechtshof oordeelde dat ook de winstneming in 2006 kwalificeert als een vervreemding in de zin van het verdrag, kan dit de dga vooralsnog niet baten.

De dga heeft beroep in cassatie aangetekend. Wij houden u op de hoogte.

 

Mark Bos en Mark Foesenek
 

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer