Belgische fairness tax gedeeltelijk strijdig met EU-recht

Belgische fairness tax

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft vorige week beslist dat de Belgische ‘fairness tax’ gedeeltelijk strijdig is met het EU-recht. In navolging van de advocaat-generaal oordeelt het HvJ dat de fairness tax strijdig is met de Moeder-dochterrichtlijn. Het feit dat dividenden die een Belgische vennootschap heeft ontvangen van haar dochter in een andere EU-lidstaat zijn begrepen in de belastbare basis van de fairness tax bij wederuitkering in een later jaar door de Belgische vennootschap, is in strijd met artikel 4 van de Moeder-dochterrichtlijn. Verder laat het HvJ het aan het Belgische Grondwettelijk Hof over om uit te maken of de fairness tax ook nog een belemmering vormt voor de vrijheid van vestiging voor een buitenlandse vennootschap met een Belgische vaste inrichting.

Gerelateerde content

Achtergrond

De fairness tax is ingevoerd in juli 2013 als een afzonderlijke belasting van 5,15% op de uitkering van winsten wanneer de uitkerende vennootschap in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, de notionele interestaftrek en/of de aftrek van overgedragen fiscale verliezen heeft genoten. De fairness tax is zowel van toepassing op binnenlandse vennootschappen als op Belgische vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen.

Vragen aangaande EU-recht en de Grondwet voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof

Reeds vanaf de invoering van de fairness tax rezen er vragen, vooral over de verenigbaarheid daarvan met het EU-recht. In januari 2014 werd een beroep tot vernietiging ingediend bij het Grondwettelijk Hof, argumenterend dat de fairness tax de Belgische Grondwet, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de Moeder-dochterrichtlijn schendt. Het Grondwettelijk Hof heeft daarom verschillende prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ om uit te maken of de fairness tax het EU-recht schendt (arrest Grondwettelijk Hof van 28 januari 2015).

 

Vragen van het Grondwettelijk Hof aan het HvJ

1) Schendt de toepassing van de fairness tax op Belgische inrichtingen van vennootschappen die inwoner zijn van andere EU-lidstaten de vrijheid van vestiging

Volgens het HvJ schendt de heffing van de fairness tax op Belgische inrichtingen van vennootschappen die inwoner zijn van een andere EU-lidstaat de vrijheid van vestiging, maar alleen indien de wijze waarop de belastbare grondslag van de fairness tax wordt bepaald in de praktijk tot gevolg heeft dat buitenlandse vennootschappen ongunstiger worden behandeld dan Belgische vennootschappen. Of dit het geval is, laat het HvJ over aan het Grondwettelijk Hof om uit te maken.

 

2) Is de fairness tax een verboden bronheffing volgens artikel 5 van de Moeder-dochterrichtlijn?

Het HvJ beschouwt de fairness tax als een aanvullende vennootschapsbelasting die slechts geheven wordt bij de uitkering van winsten en niet als een bronheffing in de zin van artikel 5 van de Moeder-dochterrichtlijn.

 

3) Verzet de Moeder-dochterrichtlijn zich ertegen dat dividenden die een Belgische vennootschap heeft gekregen van haar dochter en in een later jaar ‘wederuitkeert’ aan haar moeder, deel uitmaken van de belastbare basis van de fairness tax?

Volgens het HvJ is het niet conform de Moeder-dochterrichtlijn dat dividenden ontvangen door een Belgische vennootschap bij ontvangst worden belast volgens de DBI-aftrek van 95% en dat er bij wederuitkering in een later jaar een aanvullende belasting wordt geheven bij wijze van de fairness tax, waardoor die winsten voor een groter gedeelte worden belast dan het plafond van 5%.
 

Conclusie

Volgens het HvJ is de fairness tax gedeeltelijk strijdig met EU-recht, omdat deze artikel 4 van de Moeder-dochterrichtlijn schendt. Bovendien laat het HvJ het over aan het Grondwettelijk Hof om uit te maken of de fairness tax een belemmering vormt voor de vrijheid van vestiging.

Na dit arrest is het aan het Grondwettelijk Hof om zijn finale arrest te vellen (dat rekening houdt met het arrest van het HvJ, maar ook de Belgische grondwettelijke vragen behandelt).

De uiteindelijke impact van de lopende procedure voor belastingplichtigen die de fairness tax hebben ondergaan, zal pas volledig duidelijk worden als het Grondwettelijk Hof zijn arrest heeft gewezen. Belastingplichtigen kunnen echter op basis van het arrest van het HvJ al een administratieve procedure (bezwaar of ambtshalve ontheffing) opstarten als het gaat om een ongunstigere behandeling van een buitenlandse vennootschap met een Belgische vaste inrichting of in het geval een wederuitkering van ontvangen dividenden in een later jaar.

 

Thomas Zwaenepoel

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer