Nieuwe antimisbruikbepaling inzake DBI-aftrek | KPMG | BE

Nieuwe antimisbruikbepaling inzake DBI-aftrek: worden Belgische familiale holdings geviseerd?

Nieuwe antimisbruikbepaling inzake DBI-aftrek

Met de wet houdende fiscale bepalingen van 1 december 2016 (B.S. 8 december 2016) werd een nieuwe antimisbruik bepaling inzake DBI-aftrek (aftrek definitief belaste inkomsten) ingevoegd in de Belgische wetgeving.

1000

Partner, Tax and Legal Advisers

KPMG in Belgium

Contact

Gerelateerde content

Aan het Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB’92) werd een nieuwe bepaling toegevoegd, art. 203, 7° WIB’92, waarin wordt gesteld dat de DBI-aftrek niet kan worden toegepast op dividenden verleend door een vennootschap die inkomsten uitkeert die verbonden zijn met een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen waarvan de belastingadministratie, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, heeft aangetoond (tenzij bewijs van het tegendeel) dat deze handeling of dit geheel van handelingen kunstmatig is en is opgezet met als hoofddoel of één van de hoofddoelen o.a. het verkrijgen van deze DBI-aftrek.

Betekent dit dat de toepassing van DBI-aftrek door familiale holdings hierdoor mogelijk geweigerd wordt? Het lijkt ons nog niet zover te gaan, maar een goede en actieve opvolging van de werking van deze familiale holdings wordt wel nog belangrijker dan voorheen.

De voordelen van een familiale holding

Naast de klassieke patrimoniale en zakelijke voordelen is de familiale holding ook een vehikel dat een rechtstreekse fiscale impact heeft.

Het oprichten van / werken met een Belgische holdingvennootschap heeft als één van de fiscale voordelige gevolgen inderdaad dat dividenden vanuit de onderliggende participaties onder voorwaarden kunnen genieten van DBI-aftrek. Zo zal een Belgische holdingvennootschap die een deelneming van minstens 10% aanhoudt in een andere vennootschap of een deelneming waarvan de aanschaffingswaarde hoger is dan 2.500.000 EUR, 95% van de dividenden die zij hieruit ontvangt kunnen aftrekken van haar fiscale winst. M.a.w. slechts 5% van de dividenden die de holding ontvangt wordt dan onderworpen aan de vennootschapsbelasting (d.i. een belastingdruk van slechts 1,7%, zijnde 33,99% belastingen over 5% van het ontvangen dividend). Dit regime komt vanuit de uitvoering die België heeft gegeven aan de Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (de “Moeder-dochterrichtlijn”).

Op het niveau van de onderliggende vennootschappen waarin de holding de deelnemingen aanhoudt wordt ook geen roerende voorheffing (RV) ingehouden bij een dividenduitkering indien de nodige formaliteiten zijn vervuld. (art. 106 §6 KB/WIB)

De oprichting zelf van zo’n familiale holding in België was tot voor kort onder voorwaarden nog erg gunstig, aangezien het voor 1 januari 2017 mogelijk was in deze holding een aanzienlijk ‘fiscaal gestort kapitaal’ te creëren dat later onder voorwaarden belastingvrij aan de aandeelhouder kon worden uitgekeerd. Lees hierover meer in onze eerdere nieuwsbrief op deze link. De inbreng zelf kon voor de aandeelhouder natuurlijke persoon ook belastingvrij gebeuren voor zover dit kaderde binnen het ‘normale beheer van privévermogen’. Voor de vanaf 1 januari 2017 gedane inbrengen van aandelen van in een holding zal slechts als ‘werkelijk gestort kapitaal’ worden beschouwd de aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen in hoofde van de inbrenger, of bij gebreke hieraan, de waarde van het gestort kapitaal dat door de ingebrachte aandelen wordt vertegenwoordigd. Voor het overige gedeelte zal de inbreng als een belaste reserve worden aangemerkt, zodat een kapitaalvermindering door de holding in die mate zal kwalificeren als een belastbare dividenduitkering waarop 30% roerende voorheffing verschuldigd is.

Maar ook nu nog zal de familiale holding naar ons aanvoelen haar nut behouden, doch zowel de oprichting, de inbreng / verkoop van aandelen van deelnemingen aan deze holding als de verdere opvolging van de bedrijfsvoering hiervan zal extra aandacht verdienen.

Wat is er nu veranderd door de ingevoegde antimisbruikbepaling t.o.v. uw familiale holding?

De Europese Richtlijn 2015/121/EU van 27 januari 2015 introduceerde een nieuwe antimisbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn en voorzag in essentie dat lidstaten de voordelen van de Moeder-dochterrichtlijn niet mogen toekennen aan een kunstmatige constructie, d.w.z. ‘een constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke motieven die de economische realiteit weerspiegelen’. Deze antimisbruikbepaling moest door de lidstaten worden omgezet tegen 31 december 2015. België deed dit uiteindelijk pas met de wet van 1 december 2016 (B.S 8 december 2016).

Vanaf 1 januari 2017 zal België de (fiscale) voordelen van de DBI-aftrek o.a. niet langer toekennen wanneer blijkt dat een familiale holding deel uit zou maken van een constructie die ‘werd opgezet die uitsluitend tot doel heeft fiscale voordelen te verkrijgen’ (een zogenaamde “kunstmatige constructie”).

In de voorbereidende werken (Parl. St. Kamer, 54-2052/001) staat uitdrukkelijk dat de wetgever niet de bedoeling heeft om het actieve financiële beheer van een holdingvennootschap als misbruik aan te merken in de zin van deze bepaling.

De belastingplichtige kan steeds het tegenbewijs leveren dat er geldige zakelijke redenen voorhanden zijn om te werken met een holdingvennootschap (naast de fiscale voordelen hieraan verbonden), waarbij men niet enkel zal kijken naar economische redenen in de commerciële betekenis (bv. belang van een groepsstructuur t.o.v. zakelijke relaties, actieve werknemers…) maar ook naar andere economische redenen (waarbij wij denken aan planning voor de overdracht naar de volgende generatie met het oog op haar actieve deelname, centralisatie van de familiale belangen e.d.m.).

Waarmee opletten?

In geval van een passieve familiale holdingvennootschap zou men kunnen argumenteren dat deze uitsluitend werd opgericht voor fiscale doeleinden en zodoende proberen hierop deze antimisbruikbepaling toe te passen. De belastingplichtige zal echter steeds de kans krijgen om het tegendeel te bewijzen.

Indien men niet slaagt in dit tegenbewijs en de werking via een holdingvennootschap louter fiscaal geïnspireerd lijkt, dan kan de fiscus obv. het voorgaande deze holding de mogelijkheid ontzeggen om 95% van de dividenden die zij van haar dochtervennootschappen ontvangt af te trekken van haar fiscale inkomsten (zie het nieuwe artikel 203, 7° WIB). De vrijstelling van de RV op de uitgekeerde dividenden door de dochtervennootschappen kan in dat geval eveneens worden geweigerd (zie nieuw artikel 266 WIB). Dit zal de fiscale rekening voor de gehele groep aanzienlijk zwaarder doen uitvallen.

Wat blijft buiten schot?

Actieve familiale holdings blijven in principe buiten schot. Een actieve familiale holding laat zich in met het beheer van haar dochtervennootschappen.

In de praktijk zal de holding dat tegenover de fiscus kunnen “bewijzen” door te laten zien dat zij genoeg economische substantie bezit (bv. eigen werknemers). Het zal daarnaast ook belangrijk zijn voldoende economische (commerciële, familiale, …) motieven te hebben (én te kunnen onderbouwen) waarom men werkt met een familiale holdingvennootschap. Aangezien dergelijke motieven in de meeste gevallen zeker voldoende aanwezig zijn, lijkt dit niet per definitie onoverkomelijk.

Betekent dit dat passieve holdings altijd een kunstmatige constructie zullen uitmaken? Nee, er kunnen gegronde redenen zijn om een passieve holding op te richten, maar voorzichtigheid blijft hier geboden.

De tijd zal uitwijzen hoe actief men familiale holdingvennootschappen zal willen onderzoeken, maar aarzel niet contact met ons op te nemen om hierover één en ander door te praten. Wij zullen u graag helpen bij het bekijken van uw vermogensstructuur en nagaan of eventuele actie wenselijk zou zijn.

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig