Nieuwe antimisbruikbepaling inzake DBI-aftrek | KPMG | BE

Nieuwe antimisbruikbepaling inzake DBI-aftrek: worden Belgische familiale holdings geviseerd?

Nieuwe antimisbruikbepaling inzake DBI-aftrek

Met de Wet houdende fiscale bepalingen van 1 december 2016 werd een nieuwe antimisbruikbepaling inzake DBI-aftrek in de Belgische wetgeving opgenomen.

1000

Gerelateerde content

Aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92) werd een nieuwe bepaling toegevoegd, waarin wordt gesteld dat de DBI-aftrek niet kan worden toegepast op dividenden van een vennootschap die inkomsten uitkeert die verbonden zijn met een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen waarvan de belastingdienst, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, heeft aangetoond (tenzij bewijs van het tegendeel) dat deze handeling of dit geheel van handelingen kunstmatig is en is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen onder andere het verkrijgen van deze DBI-aftrek.

Betekent dit dat de toepassing van DBI-aftrek door familiale holdings hierdoor mogelijk wordt geweigerd? Het lijkt ons nog niet zo ver te gaan, maar een goede en actieve opvolging van de werking van deze familiale holdings wordt wel nog belangrijker dan voorheen.

De voordelen van een familiale holding

Naast de klassieke patrimoniale en zakelijke voordelen is de familiale holding ook een vehikel dat een rechtstreekse fiscale impact heeft.

Het oprichten van en werken met een Belgische holdingvennootschap heeft als een van de fiscale voordelen dat dividenden vanuit de onderliggende deelnemingen onder voorwaarden kunnen genieten van de DBI-aftrek. Zo zal een Belgische holdingvennootschap die een deelneming van minstens 10% aanhoudt in een andere vennootschap of een deelneming waarvan de aanschaffingswaarde hoger is dan € 2.500.000, 95% van de dividenden die zij hieruit ontvangt kunnen aftrekken van haar belastbare winst. Met andere woorden: slechts 5% van de dividenden die de holding ontvangt, wordt onderworpen aan de vennootschapsbelasting, waardoor de effectieve belastingdruk slechts 1,7% bedraagt (33,99% over 5%). Dit regime komt vanuit de uitvoering die België heeft gegeven aan de zogenoemde Moeder-dochterrichtlijn.

Op het niveau van de onderliggende vennootschappen waarin de holding de deelnemingen aanhoudt, wordt geen roerende voorheffing (RV) ingehouden bij een dividenduitkering indien de nodige formaliteiten zijn vervuld.

De oprichting zelf van zo’n familiale holding in België was tot voor kort onder voorwaarden nog erg gunstig, omdat het voor 1 januari 2017 mogelijk was in deze holding een aanzienlijk fiscaal gestort kapitaal te creëren dat later onder voorwaarden belastingvrij aan de aandeelhouder kon worden uitgekeerd. Wij verwijzen in dit verband naar de bijdrage hierover in de januari 2017-editie van deze nieuwsbrief. De inbreng zelf kon voor de aandeelhouder-natuurlijke persoon belastingvrij gebeuren voor zover dit paste binnen het normale beheer van privévermogen. Voor de vanaf 1 januari 2017 gedane inbrengen van aandelen in een holding zal slechts als werkelijk gestort kapitaal worden beschouwd de aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen door de inbrenger, of bij gebreke hieraan de waarde van het gestort kapitaal dat door de ingebrachte aandelen wordt vertegenwoordigd. Voor het overige gedeelte zal de inbreng als een belaste reserve worden aangemerkt, zodat een latere kapitaalvermindering door de holding in die mate zal kwalificeren als een belastbare dividenduitkering waarop 30% roerende voorheffing is verschuldigd.

Ook nu nog zal de familiale holding naar ons idee echter haar nut behouden, maar zowel de oprichting, inbreng als de verkoop van aandelen van deelnemingen aan deze holding als de verdere opvolging van de bedrijfsvoering hiervan zullen extra aandacht vragen.

Wat is er nu veranderd door de ingevoegde antimisbruikbepaling ten aanzien van uw familiale holding?

In de Moeder-dochterrichtlijn werd een nieuwe antimisbruikbepaling opgenomen die erin voorziet dat lidstaten de voordelen van deze richtlijn niet mogen toekennen in geval sprake is van een kunstmatige constructie, dat wil zeggen: een constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke motieven die de economische realiteit weerspiegelen. Deze antimisbruikbepaling moest door de lidstaten uiterlijk 31 december 2015 zijn omgezet in nationale wetgeving. België deed dit uiteindelijk pas met de wet van 1 december 2016.

Vanaf 1 januari 2017 zal België de (fiscale) voordelen van de DBI-aftrek onder andere niet langer toekennen wanneer blijkt dat een familiale holding deel uitmaakt van een constructie die werd opgezet en uitsluitend tot doel heeft fiscale voordelen te verkrijgen (een zogenoemde kunstmatige constructie).

In de parlementaire stukken staat uitdrukkelijk dat de wetgever niet de bedoeling heeft om het actieve financiële beheer van een holdingvennootschap als misbruik aan te merken in de zin van deze bepaling.

De belastingplichtige kan steeds het tegenbewijs leveren dat er geldige zakelijke redenen voorhanden zijn om te werken met een holdingvennootschap (naast de hieraan verbonden fiscale voordelen), waarbij men niet alleen zal kijken naar economische redenen in de commerciële betekenis (bijvoorbeeld het belang van een groepsstructuur ten opzichte van zakelijke relaties, actieve werknemers, etc.), maar ook naar andere economische redenen (waarbij wij denken aan planning voor de overdracht naar de volgende generatie met het oog op haar actieve deelname, centralisatie van de familiale belangen en dergelijke).

Waarop letten?

In geval van een passieve familiale holdingvennootschap zou de Belgische belastingdienst kunnen beargumenteren dat deze uitsluitend werd opgericht voor fiscale doeleinden en zodoende proberen hierop deze antimisbruikbepaling toe te passen. De belastingplichtige zal echter steeds de mogelijkheid worden geboden om het tegendeel te bewijzen.

Indien men niet slaagt in dit tegenbewijs en de werking via een holdingvennootschap louter fiscaal geïnspireerd lijkt, kan de fiscus deze holding op basis van het voorgaande de mogelijkheid ontzeggen om 95% van de dividenden die zij van haar dochtervennootschappen ontvangt af te trekken van haar belastbare inkomsten. De vrijstelling van de RV op de uitgekeerde dividenden door de dochtervennootschappen kan in dat geval eveneens worden geweigerd. Dit zal de fiscale last voor de gehele groep aanzienlijk zwaarder doen uitvallen.

Wat blijft buiten schot?

Actieve familiale holdings blijven in principe buiten schot. Een actieve familiale holding laat zich in met het beheer van haar dochtervennootschappen.

In de praktijk zal de holding dienen te ‘bewijzen’ dat zij genoeg economische substantie bezit (bijvoorbeeld eigen werknemers). Het zal daarnaast ook belangrijk zijn voldoende economische (commerciële, familiale, etc.) motieven te hebben (én die te kunnen onderbouwen) om te verduidelijken waarom men werkt met een familiale holdingvennootschap. Aangezien dergelijke motieven in de meeste gevallen zeker voldoende aanwezig zijn, lijkt dit niet per definitie onoverkomelijk.

Betekent dit dat passieve holdings altijd een kunstmatige constructie zullen vormen? Nee, er kunnen gegronde redenen zijn om een passieve holding op te richten, maar voorzichtigheid blijft hier geboden.

De tijd zal uitwijzen hoe actief men familiale holdingvennootschappen zal onderzoeken. Aarzelt u ondertussen niet om met ons contact op te nemen om uw vermogensstructuur in dit kader te beoordelen.

 

Ilke Vandenbroeck

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig