Forfaitaire waardering VVAA onroerend goed schendt gelijkheidsbeginsel

Forfaitaire waardering VVAA onroerend goed

De forfaitaire waarderingsregel van het voordeel van alle aard bestaande uit de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning door uw vennootschap wordt strijdig bevonden met het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel – Hof van Beroep Gent 24 mei 2016.

Partner, Tax and Legal Advisers

KPMG in Belgium

Contact

Gerelateerde content

De berekening van het voordeel van alle aard naar aanleiding van het verkrijgen van de kosteloze beschikking over een onroerend goed geschiedt aan de hand van forfaitaire waarderingsregels zoals voorgeschreven in het Koninklijk Besluit bij het Wetboek Inkomstenbelasting [1].

Deze waarderingsregels maken een onderscheid tussen het geval waarin het onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een vennootschap (men denke hierbij aan een BVBA, NV, Comm. VA, VZW,…) dan wel het geval waarin datzelfde onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijke persoon (fysieke persoon, éénmanszaak, feitelijke vereniging, …).

Het voordeel van alle aard wordt op een hoger bedrag geraamd wanneer het onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een vennootschap, dan wanneer het onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een fysieke persoon [2]. Dit heeft uiteraard een hogere belasting tot gevolg.

Volgens de Belgische fiscus zou dergelijk onderscheid verantwoord zijn omdat kaderleden en bedrijfsleiders “zich dikwijls in een positie bevinden die hen toelaat om zichzelf de kosteloze beschikking toe te kennen over een luxueuze woning” terwijl gewone werknemers, wanneer zij de beschikking krijgen over een onroerend goed, meestal slechts een “bescheiden woning” krijgen.

Feit is wel dat de wet zelf geen onderscheid maakt tussen kaderleden en bedrijfsleiders enerzijds en gewone werknemers anderzijds, doch enkel een onderscheid maakt naar gelang de persoon die de woning ter beschikking stelt (een vennootschap dan wel een fysieke persoon).

Het Hof van Beroep te Gent besliste dat dergelijk onderscheid niet verantwoord is en oordeelt dat deze forfaitaire waarderingsregel het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt.

Gevolgen van dit arrest

Wanneer een bepaalde regeling ongrondwettelijk wordt bevonden, mag deze regelgeving niet meer worden toegepast. Het gevolg hiervan is dan dat enkel nog de algemene waarderingsregels mogen worden toegepast.

Concreet betekent dit ons inziens dat het voordeel van alle aard zal moeten berekend worden op de “werkelijke waarde van het voordeel in hoofde van de genieter”. Er kan dus getwijfeld worden of dit wel voordeliger zal uitkomen dan de huidige formule die thans ongrondwettelijk wordt bevonden (deze gaat immers uit van het KI). Veel hangt uiteraard af van het concrete geval en de waardering van de huurwaarde van de woning.

Een alternatieve berekeningswijze zou er in kunnen bestaan de waarderingsmethode die in het koninklijk besluit is voorzien voor de ter beschikkingstelling van een onroerend goed door een natuurlijke persoon toe te passen. Dit zou wel voordeliger zijn, maar is ons inziens niet conform de wet.

Het valt af te wachten welke houding de Belgische fiscus hieromtrent inneemt. Het is bovendien mogelijk dat de Belgische fiscus zich niet neerlegt bij dit arrest en naar het Hof van Cassatie stapt [3].

Actie ondernemen?

Wij zijn van mening dat het voordeel van alle aard best nog aangegeven wordt overeenkomstig de ongrondwettelijk bevonden forfaitaire waardering, tenzij de werkelijke waarde van het voordeel lager zou zijn dan de forfaitaire waardering.

Wanneer men nadien de aanslag ontvangt, kan dan binnen de zes maanden (te rekenen vanaf de derde werkdag) na de verzending van het aanslagbiljet bezwaar worden aangetekend zonder dat de kans bestaat dat de Belgische fiscus een belastingverhoging oplegt.

[1] Artikel 18, §3, 2, tweede lid, b) KB/WIB/92.
[2] Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op:

Ter beschikking stelling door een natuurlijke persoon: 

  • 100/60 (of 100/90) van het KI van het onroerend goed of het  gedeelte van het onroerend goed (naargelang het een gebouwd dan wel ongebouwd onroerend goed betreft).

Ter beschikking stelling door een rechtspersoon:

  • Wanneer het KI kleiner dan of gelijk is aan 745 euro: 100/6 vermenigvuldigd met 1.25     
  • Wanneer het KI groter is dan 745: 100/60 vermenigvuldigd met 3.8


[3] Tot op heden hebben wij evenwel geen kennis van een mogelijks ingediende voorziening in cassatie.

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer