Gerechtshof ’s-Hertogenbosch: sociaal plan kwalificeert niet als regeling vervroegde uittreding

Sociaal plan: niet als regeling vervroegde uittreding

Onlangs heeft Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: hof) geoordeeld over de kwalificatie van een sociaal plan met vrijwilligers- en plaatsmakersregeling als regeling voor vervroegde uittreding (hierna: RVU). Belanghebbende is in deze casus als gevolg van een reorganisatie een vrijwillige vertrekregeling overeengekomen met de vakbonden. De Belastingdienst wilde deze regeling aanmerken als RVU, waardoor de uitkering bij de inhoudingsplichtige zou worden aangemerkt als loon dat als eindheffingsbestanddeel wordt belast naar aan tarief van 52%, naast de reguliere belasting over de uit de aanspraak genoten uitkeringen ten laste van de werknemer. Het hof heeft geoordeeld dat de regeling niet kwalificeert als RVU.

Gerelateerde content

Casus

Een werkgever heeft in 2013 een reorganisatie aangekondigd waardoor ten minste 230 arbeidsplaatsen verloren zouden gaan. In het kader van de reorganisatie is de werkgever met de vakbonden een sociaal plan overeengekomen. In het sociaal plan zijn boventallige werknemers volgens het afspiegelingsbeginsel aangewezen. Daardoor zou bij de werkgever niet de intentie blijken om voornamelijk ouderen met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan. Daarnaast bevat het plan een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling. De werkgever kon overigens verzoeken van werknemers om gebruik te mogen maken van de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling weigeren.

Uitspraak rechtbank

De rechtbank oordeelde in een eerder stadium dat er geen sprake is van een RVU, omdat niet aannemelijk is geworden dat de werkgever de intentie had om nagenoeg alleen oudere werknemers te ontslaan. De inspecteur heeft daarop hoger beroep aangetekend.

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof gaat het er bij de vraag of sprake is van een RVU om of de uitkeringen bedoeld zijn om de periode te overbruggen vanaf het ontslag van de werknemer tot de pensioendatum. Hierbij doet het er niet toe wat de beweegredenen van de werkgever zijn. Het gaat om de feitelijke uitwerking van de regeling en om de vraag of de in de regeling overeengekomen voorwaarden bewerkstelligen dat een overbrugging wordt geboden tot de pensioendatum van de werknemer.

In deze casus is het hof van oordeel dat sprake is van een regeling die tot doel heeft alle werknemers van de werkgever de mogelijkheid te bieden om vrijwillig hun dienstverband te beëindigen, ongeacht hun leeftijd. De feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de ontslagvergoedingen is naar het oordeel van het hof niet doorslaggevend. Dat er kennelijk in een groot aantal gevallen wel een overbrugging tot het pensioen zou kunnen worden aangeboden, betekent nog niet dat de regeling dit uitsluitend of nagenoeg geheel als doel heeft gehad. De toepassing van de regeling is niet afhankelijk van de leeftijd van de werknemer en de uitkering houdt geen verband met de pensioendatum van de werknemer. Tevens blijkt uit de voorwaarden van de regeling niet dat er daadwerkelijk een uitkering wordt gedaan ter overbrugging van de periode tussen het ontslag en het pensioen. Gelet op het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat in casu geen sprake is van een RVU. Daardoor wordt de uitkering bij de werkgever niet aangemerkt als loon dat als eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 52%, naast de reguliere belasting die de werknemer verschuldigd is over de uit de aanspraak genoten uitkering.

Inmiddels is de staatssecretaris in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. Vanzelfsprekend houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen rond de RVU.

 

Ton van Dael en William Donders

Ga terug naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer