Wetsontwerp inzake wijziging Belgische DBI-aftrek en exitheffing

Wijziging Belgische DBI-aftrek en exitheffing

Op 27 september 2016 heeft de Belgische regering een nieuw wetsontwerp ingediend dat twee regelingen van het Belgische fiscaal recht in overeenstemming brengt met Europees recht: enerzijds de DBI-aftrek op dividenden (‘definitief belaste inkomsten’), een systeem dat vergelijkbaar is met de Nederlandse deelnemingsvrijstelling, en anderzijds de zogenoemde exitheffing, een belasting die wordt opgelegd wanneer activa ten gevolge van bepaalde herstructureringsverrichtingen België verlaten.

Gerelateerde content

DBI-aftrek en verzaking aan roerende voorheffing

Het eerste aspect van het wetsontwerp betreft de omzetting in het Belgisch recht van twee wijzigingen aan de Europese Moeder-dochterrichtlijn.

De eerste wijziging is de invoering van een bepaling om dubbele niet-heffing te vermijden, meer bepaald in het geval wanneer de dochtervennootschap in staat is om het uitgekeerde dividend (gedeeltelijk) in aftrek te brengen op haar belastbare winst op basis van het fiscaal recht van haar woonstaat. Om dergelijke dubbele niet-heffing te vermijden, zal de DBI-aftrek voortaan niet meer worden toegekend bij de Belgische (moeder)vennootschap wanneer de uitgekeerde winst aftrekbaar is bij de uitkerende dochtervennootschap.

De tweede wijziging is de invoering van een antimisbruikbepaling die de voordelen van de Moeder-dochterrichtlijn zou moeten ontzeggen in geval van ‘kunstmatige constructies’. In het Belgisch recht vertaalt dit zich zo dat de DBI-aftrek en het afzien van roerende voorheffing op dividenden niet doorgaan wanneer de Administratie kan aantonen dat de dividenden verbonden zijn met ‘een rechtshandeling’ (of een ‘geheel van rechtshandelingen’) die (dat):

  • kunstmatig is (omdat zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen);
  • is opgezet met als hoofddoel (of een van de hoofddoelen) het verkrijgen van de DBI-aftrek, het afzien van roerende voorheffing of een van de andere voordelen van de Moeder-dochterrichtlijn in een andere EU-lidstaat.

De memorie van toelichting benadrukt dat deze bepaling een breed toepassingsgebied heeft, waardoor niet alleen intra-Europese dividendstromen hieronder zullen vallen, maar ook intra-Belgische dividendstromen en dividendstromen die plaatsvinden tussen België en een derde land.

 

Exitheffing

In navolging van rechtspraak van het Europese Hof van Justitie wordt tevens gesleuteld aan de Belgische exitheffing. Het gaat hierbij om de belastingheffing van latente meerwaarden op activa die worden overgebracht naar het buitenland in het kader van:

  • een internationale herstructurering (bijvoorbeeld grensoverschrijdende fusie of splitsing) die niet voldoet aan de voorwaarden voor doorschuiving (bijvoorbeeld omdat geen Belgische inrichting achterblijft);
  • de verplaatsing van de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van een binnenlandse vennootschap.

Op basis van het wetsontwerp zou de belastingplichtige er voortaan voor kunnen kiezen de exitheffing gespreid te betalen over vijf jaar (in plaats van een onmiddellijke betaling), mits de betrokken activa “(...) aangewend worden en behouden blijven op de maatschappelijke zetel van een vennootschap” dan wel “(...) binnen een buitenlandse inrichting van een vennootschap gevestigd” in een andere EU-lidstaat of EER-lidstaat. In dit laatste geval moet het dan wel gaan om een staat waarmee België een overeenkomst heeft afgesloten die in wederzijdse invorderingsbijstand voorziet. Liechtenstein valt daardoor momenteel buiten de boot.

De Administratie kan de keuze voor gespreide betaling afhankelijk stellen van een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling. De belastingplichtige moet bovendien elk jaar een formulier invullen met informatie betreffende de opvolging van de betrokken activa.

Het wetsontwerp voorziet erin dat het voordeel van de gespreide belasting in bepaalde gevallen verloren kan gaan, bijvoorbeeld wanneer de overgedragen activa verkocht worden of bij het niet-naleven van de betalingstermijnen.

 

Inwerkingtreding

Wat de DBI-aftrek betreft, zouden de wijzigingen gelden voor de inkomsten verleend of toegekend vanaf 1 januari 2016, met dien verstande dat zij nog niet van toepassing zijn op de inkomsten verleend of toegekend “(...) in de loop van een belastbaar tijdperk dat werd afgesloten vóór de eerste dag van de maand na die waarin de nieuwe wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt” (bijvoorbeeld vennootschappen die hun boekjaar hebben afgesloten op 30 september 2016).

Wat het afzien van de roerende voorheffing betreft, geldt de nieuwe antimisbruikbepaling voor de inkomsten die worden “(...) toegekend of betaalbaar gesteld vanaf de eerste dag van de maand na die waarin [de nieuwe wet] in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt”.

De wijziging van de exitheffing treedt in werking vanaf aanslagjaar 2017 en is van toepassing op de verrichtingen die worden gedaan vanaf de datum van de bekendmaking van de nieuwe wet in het Belgisch Staatsblad.

 

Kris Lievens en Jeroen Debaere

Ga terug naar de overzichtspagina

© 2017 KPMG Tax and Legal Advisers, a Belgian Civil Cooperative Company with Limited Liability (burg. CVBA/SCRL civile) and a member firm of the KPMG network of independent member firms affiliated with KPMG International Cooperative (“KPMG International”), a Swiss entity. All rights reserved.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer