NL Vennootschapsbelasting - dividenden | KPMG | BE

Nederland: Vennootschapsbelasting - Hoe worden dividenden en vermogenswinsten op aandelen in deelnemingen behandeld?

NL Vennootschapsbelasting - dividenden

De deelnemingsvrijstelling (dnvs) geldt voor (binnen- en buitenlandse) deelnemingen waarin voor tenminste 5% in het aandelenkapitaal wordt deelgenomen. Belangen in een open cv of in een vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm komen ook in aanmerking voor de dnvs. Dit geldt ook voor een belang in een fonds voor algemene rekening, ongeacht in welk land dit fonds is gevestigd en indien de belastingplichtige lid is van een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag. Belangen in fiscale beleggingsinstellingen blijven uitgesloten van toepassing van de dnvs.

1000

Gerelateerde content

De dnvs is ook van toepassing op een schuldvordering die feitelijk functioneert als eigen vermogen bij de debiteur, zelfs in een situatie dat de Nederlandse vennootschap geen, maar een gelieerde vennootschap wel, een belang van nominaal 5% in het aandelenkapitaal bezit. Vanwege de meetrekregeling is van een deelneming in een lichaam mede sprake wanneer de belastingplichtige zelf geen deelneming bezit in dat lichaam, maar een aan de belastingplichtige gelieerd lichaam wel een deelneming bezit in dat lichaam.

Met ingang van 1 januari 2010 is de deelnemingsvrijstelling enigszins versoepeld. De versoepeling beoogt de bezwaren van de oude regeling, met name ten aanzien van de gewenste zekerheid over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor internationaal opererende concerns en over de administratieve lasten die de regeling met zich bracht, zo veel als mogelijk weg te nemen.

 

Met ingang van 1 januari 2010 (ongeacht de loop van het boekjaar) is

  • een oogmerktoets ingevoerd; 
  • de onderworpenheidseis anders ingevuld;
  • de bezittingentoets versoepeld.

 

Oogmerktoets

Als hoofdregel wordt gesteld dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is indien de deelneming als belegging wordt gehouden (oogmerktoets). Op grond van jurisprudentie (pre-2007) wordt een deelneming als belegging gehouden wanneer deze wordt aangehouden met het oog op het verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht.

De oogmerktoets is in beginsel een subjectieve eis, maar dient te worden getoetst aan de hand van bepaalde feiten en omstandigheden, zoals de aard, functie en activiteiten van de deelneming en de belastingplichtige aandeelhouder. Als met inachtneming van eventuele ficties wordt voldaan aan de oogmerktoets, hoeven de bezittingentoets en de onderworpenheidseis niet te worden doorlopen.

Als sprake is van een Nederlandse tussenhoudster, is de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing wanneer de bedrijfsuitoefening van de door de tussenhoudster gehouden deelneming in lijn ligt met de bedrijfsuitoefening van de buitenlandse moedermaatschappij (schakelfunctie). De tussenhoudster vervult ook een schakelfunctie als de moedermaatschappij een tophoudster is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, en de tussenhoudster een deelneming heeft in een lichaam dat een (actieve) onderneming drijft.

Als een belastingplichtige belangen houdt in een of meerdere lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep, kan de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing zijn als de belastingplichtige als zodanig een onderneming drijft.

Wanneer in de deelneming zowel beleggingen worden aangehouden als ondernemingsactiviteiten worden uitgeoefend, is sprake van een gemengd oogmerk. In dat gevoel moet worden getoetst bij welk oogmerk het zwaartepunt ligt: het beleggen of het ondernemen.

Een deelneming kan ook als beleggingsdeelneming worden aangemerkt door de zogenoemde ficties. De eerste fictie bepaalt dat een deelneming als belegging wordt gehouden als geconsolideerd meer dan 50% van de bezittingen van de deelneming bestaan uit belangen van minder dan 5%. De tweede fictie bepaalt dat een deelneming wordt geacht een beleggingsdeelneming te zijn op basis van haar functie in de groep.

Onderworpenheidseis

Als niet aan de oogmerktoets wordt voldaan kunnen de onderworpenheidseis of de bezittingentoets wellicht uitkomst bieden. De (herziene) onderworpenheidstoets vereist een onderworpenheid die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Daarbij wordt alleen gekeken naar de onmiddellijke deelneming. In beginsel wordt hieraan voldaan indien het betreffende belastingregime vergelijkbaar is met het Nederlandse regime met name voor wat betreft het statutaire tarief (ten minste 10%) en de belastinggrondslag (geen schadelijke stelselafwijkingen, zoals tax holidays, het ontbreken van een renteaftrekbeperking of grondslagvermindering vanwege fictieve kosten).

Zelfs als een schadelijke stelselafwijking van toepassing is, kan er sprake zijn van voldoende onderworpenheid indien aannemelijk wordt gemaakt dat ook de effectieve belastingdruk 10% of meer bedraagt.

 

Bezittingentoets

De bezittingentoets gaat uit van een toerekeningsbalans. Als de (on-)middellijke bezittingen van de deelneming doorgaans voor minder dan 50% uit laagbelaste vrije beleggingen bestaan, is geen sprake van een beleggingsdeelneming. Bezittingen van onderliggende (klein)dochtervennootschappen worden pro rata toegerekend aan de deelneming. Of een vrije belegging laagbelast is, wordt getoetst volgens dezelfde principes als de onderworpenheidstoets. Onder de nieuwe regeling zal minder snel sprake zijn van een vrije belegging dan onder de oude regeling.

Een vrije belegging is bijvoorbeeld een groepsvordering of een terbeschikkinggesteld bedrijfsmiddel. Een groepsvordering is echter geen vrije belegging indien de vordering wordt gehouden door een lichaam waarvan de werkzaamheden bestaan uit actieve financieringswerkzaamheden. Vanaf 1 januari 2010 geldt de eis dat het feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen doorgaans ten minste 20% moet bedragen van de waarde in het economisch verkeer van de activa van het lichaam.

Een groepsvordering is tevens geen vrije belegging in het geval de aanschaffings- of voortbrengingskosten voor ten minste 90% zijn gefinancierd met van derden verkregen geldleningen. Een terbeschikkinggesteld bedrijfsmiddel kwalificeert niet als vrije belegging als de bedrijfsmiddelen worden gehouden door een lichaam waarvan de werkzaamheden bestaan uit actieve terbeschikkingstellingswerkzaamheden.

Een van de voorwaarden houdt in dat de aanschaffingskosten van de terbeschikkinggestelde bedrijfsmiddelen voor ten minste 20% zijn gefinancierd met feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen. Daarnaast is er geen sprake van een vrije belegging indien de aanschaffings- en voortbrengingskosten van een terbeschikkinggesteld bedrijfsmiddel voor ten minste 90% zijn gefinancierd met van derden verkregen geldleningen.

Een gewone belegging is een vrije belegging als deze niet redelijkerwijs noodzakelijk is in het kader van de onderneming van het lichaam dat de belegging bezit, met uitzondering van beleggingen bestaande uit (rechten op) onroerende zaken.

 

"Rotte appel"-benadering

In de regels van de deelnemingsvrijstelling is een 'rotte appel-benadering' opgenomen die inhoudt dat als laagbelaste vrije beleggingen worden gehouden door een lichaam waarvan de bezittingen doorgaans voor ten minste 70% uit andere bezittingen bestaan dan laagbelaste vrije beleggingen, deze niet als zodanig in aanmerking worden genomen op de toerekeningsbalans van de directe deelneming.

Bij deze beoordeling tellen eventuele deelnemingen niet mee en belangen van minder dan 5% gelden als vrije belegging. Bij de rotte appel-benadering moet per (indirecte) deelneming worden getoetst of ten minste 70% van haar activa bestaat uit niet-laagbelaste vrije beleggingen, waarbij de waarde van de deelnemingen van dat lichaam (net als de activa van eventuele onderliggende deelnemingen) niet meetelt. De toets pleit laagbelaste vrije beleggingen dus in feite vrij als deze minder dan 30% van het balanstotaal (exclusief deelnemingen) van de standalone deelneming bedragen.

De toets wordt per vennootschap aangelegd. Als wordt voldaan aan het 70%-criterium, zijn alle bezittingen van de deelneming 'goede bezittingen' op de toerekeningsbalans van de directe deelneming. Is echter sprake van een rotte appel op een lager niveau, dan kan deze niet worden ontsmet op een hoger niveau omdat men voor deze toets uitgaat van de enkelvoudige balans.

 

Geen toepassing deelnemingsvrijstelling

Indien de dnvs niet van toepassing is, geldt er een (jaarlijkse) waardering op de waarde in het economische verkeer bij een bezit van 25% of meer in een laagbelaste beleggingsdeelneming die voor 90% of meer vrije beleggingen bezit. Het ontvangen/behaalde voordeel wordt in dat geval gebruteerd in de winst begrepen en belast. Vervolgens kan een deelnemingsverrekening worden toegepast. Op basis hiervan kan in beginsel 5% van het voordeel worden verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting. In situaties waarbij de EU Moeder-dochterrichtlijn van toepassing is, kan desgewenst de daadwerkelijk op de winstuitkering drukkende winstbelasting worden verrekend.

 

Toepassingsgebied

De dnvs geldt in beginsel voor alle voor- en nadelen uit hoofde van de deelneming (dividenden en transactieresultaten). Sinds 1 januari 2016 is ter implementatie van de aanpassingen in de Europese Moeder/Dochter Richtlijn, een anti-hybride bepaling opgenomen waardoor in gevallen van een aftrek op het niveau van de deelneming (bijvoorbeeld omdat daar de betaling als interest wordt gezien), de dnvs niet van toepassing is op deze ontvangsten door de Nederlandse aandeelhouder (ook al zijn de ontvangsten in Nederland aan te merken als dividend).

Zowel aankoopkosten als verkoopkosten van deelnemingen vallen onder de dnvs, die daarmee niet aftrekbaar zijn. Daarnaast kunnen, op verzoek, valutaresultaten op leningen en andere transacties die met de deelneming verband houden en dienen ter afdekking van het met die deelneming gelopen valutarisico, onder de dnvs vallen. Alleen het verlies bij ontbinding van een deelneming is in principe aftrekbaar (liquidatieverlies).

Het liquidatieverlies is gelijk aan het opgeofferd bedrag van de deelneming minus de liquidatie-uitkeringen. Onder liquidatie-uitkeringen wordt mede verstaan positieve voordelen uit de deelneming verkregen in het jaar van staking, de vijf jaren (soms 10 jaren) vóór de staking van de onderneming van de deelneming.

De voorwaarden voor toepassing van de liquidatieverliesregeling zijn meer in lijn gebracht met Europese jurisprudentie. Zo wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse dochtervennootschappen. Mogelijk is de regeling (gedeeltelijk) in strijd met de Marks & Spencer uitspraak van het Europees Hof van Justitie, aangezien mogelijk niet alle (in het buitenland) onverrekenbare verliezen bij de Nederlandse aandeelhouder in aftrek kunnen worden gebracht.

Het liquidatieverlies wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid; hierbij zijn enkele beperkingen aangebracht:

er is een beperking indien er een recht op tegemoetkoming ten aanzien van de verliezen van de deelneming bestaat;
er bestaat geen recht op aftrek van het liquidatieverlies zolang de onderneming niet geheel is gestaakt, dan wel wordt voortgezet door een verbonden lichaam;
verder zijn er nog enkele anti-misbruikbepalingen.

De dnvs kent ook diverse aanverwante regelingen om eerder ten laste van de Nederlandse winst gekomen bedragen (bijvoorbeeld afwaarderingen van vorderingen op deelnemingen, verliezen uit in deelnemingen omgezette vaste inrichtingen) niet zonder meer op een later tijdstip onbelast als deelnemingsvoordeel te kunnen ontvangen.

 

Compartimenteringsreserve

Op 14 juni 2013 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan omtrent het compartimenteren van voordelen uit een deelneming die worden gerealiseerd terwijl er een sfeerovergang (dat wil zeggen wel dnvs naar geen dnvs of vice versa) heeft plaatsgevonden als gevolg van een wetswijziging. De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld dat, gezien het ontbreken van overgangsrecht en de onmiddellijke werking van wetgeving, niet moet worden gecompartimenteerd.

Als reactie op de uitspraak van de Hoge Raad, zijn wettelijke regels ingevoerd omtrent het compartimenteren bij een sfeerovergang. Deze regels hebben terugwerkende kracht tot 14 juni 2013. Deze nieuwe regels houden in dat er zowel in het geval van een wetswijziging, als ook bij een wijziging van de feitelijke omstandigheden, een compartimenteringsreserve dient te worden gevormd. De omvang van deze reserve geeft aan welk bedrag nog onder de andere sfeer van de dnvs valt. De reserve kan derhalve belast zijn ingeval de sfeerovergnag van geen dnvs naar wel dnsv plaatsvindt, en onbelast in het omgekeerde geval. Deze reserve zal worden verminderd bij realisatie en indien deze daadwerkelijk wordt belast.

 

 

© 2017 KPMG Tax and Legal Advisers, a Belgian Civil Cooperative Company with Limited Liability (burg. CVBA/SCRL civile) and a member firm of the KPMG network of independent member firms affiliated with KPMG International Cooperative (“KPMG International”), a Swiss entity. All rights reserved.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig