Doorschuiffaciliteiten | KPMG | BE

Doorschuiffaciliteiten in de Nederlandse wet- en regelgeving

Doorschuiffaciliteiten

Zonder zogenoemde doorschuiffaciliteiten leidt de overdracht van activa in het kader van een inbreng, fusie of splitsing tot heffing van Nederlandse inkomsten- en/of vennootschapsbelasting over de tot het moment van de inbreng, fusie respectievelijk splitsing aanwezige stille reserves.

1000

Contact

Gerelateerde content

Zonder zogenoemde doorschuiffaciliteiten leidt de overdracht van activa in het kader van een inbreng, fusie of splitsing tot heffing van Nederlandse inkomsten- en/of vennootschapsbelasting over de tot het moment van de inbreng, fusie respectievelijk splitsing aanwezige stille reserves. Indien wordt voldaan aan de toepasselijke voorwaarden, blijft een dergelijke ‘afrekening’ achterwege en wordt de fiscale boekwaarde van de overgedragen activa doorgeschoven naar de verkrijger.

 

Ook de zogenoemde herinvesteringsreserve (hierna: HIR) kan als doorschuiffaciliteit worden aangemerkt.

Een bijzondere casus waarin een tweetal doorschuifregelingen is toegepast en de toepassing van de HIR in geschil is, ligt momenteel voor bij de Hoge Raad. De casus betreft een natuurlijke persoon die haar eenmanszaak en een pand heeft ingebracht in een houdstervennootschap (X BV), waarbij de ingebrachte onderneming op dezelfde dag wordt dooringebracht in een werkmaatschappij (Y BV). Bij laatstgenoemde (door)inbreng blijft het pand – dat eerder diende als bedrijfspand maar sinds enkele maanden te koop staat – achter bij X BV. Het pand wordt enige maanden later met winst verkocht aan een derde.

Het geschil betreft de vraag of de heffing van vennootschapsbelasting over de boekwinst op het pand kan worden uitgesteld door toevoeging van deze boekwinst aan een HIR. Dit is slechts mogelijk indien het pand op het moment van de verkoop kwalificeert als een bedrijfsmiddel en niet als voorraad. De Inspecteur, rechtbank en het gerechtshof zijn van mening dat sprake is van voorraad en dat derhalve geen HIR kan worden gevormd. De advocaat-generaal (hierna: A-G) neemt een ander standpunt in.

De A-G verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad op basis waarvan een bedrijfsmiddel – in casu het voormalige bedrijfspand – de functie van een bedrijfsmiddel slechts verliest als het (1) is verkocht of (2) wordt aangewend voor een nieuwe ondernemingsactiviteit waarin het fungeert als voorraad. De A-G concludeert dat de (door)inbreng de functie noch de juridische status van het pand heeft veranderd en dat het pand daarom zijn functie van een bedrijfsmiddel niet is verloren.

Een andere redenering zou kunnen zijn dat de activiteiten van X BV door de (door)inbreng zijn gewijzigd, omdat het pand voor X BV fungeert als voor de omzet bestemde voorraad. Op basis hiervan zou geen HIR kunnen worden gevormd.

Wij zijn erg benieuwd of de Hoge Raad de conclusie van de A-G, waartegen diverse argumenten kunnen worden ingebracht, zal volgen. Indien dat niet het geval is, is X BV slechter af omdat geen HIR kan worden gevormd voor de bij de verkoop van het pand gerealiseerde boekwinst. Dit illustreert eens te meer dat het raadzaam is de toepassing van de diverse doorschuiffaciliteiten vooraf goed te (laten) onderzoeken. Uiteraard zijn wij graag bereid u hierbij te ondersteunen.


Mark Bos en Mark Foesenek

Ga naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig