Strengere bewijslast op inzake bestaan | KPMG | BE

Strengere bewijslast op inzake bestaan van managementprestatie

Strengere bewijslast op inzake bestaan

Op 15 oktober 2015 heeft het Hof van Cassatie zich andermaal uitgesproken over de aftrekbaarheidsvoorwaarden van managementvergoedingen in de Belgische inkomstenbelastingen.

1000

Contact

Gerelateerde content

Op 15 oktober 2015 heeft het Hof van Cassatie zich andermaal uitgesproken over de aftrekbaarheidsvoorwaarden van managementvergoedingen in de Belgische inkomstenbelastingen. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de werkelijkheid van deze prestaties dient te worden aangetoond en dat het niet volstaat voor de belastingplichtige om alleen een schriftelijke overeenkomst, facturen en de vereffening ervan voor te leggen.


In casu betrof het een bakkerij die zich liet bijstaan door een managementvennootschap. De aandeelhouders van de managementvennootschap en de bestuurders van de bakkerij waren nagenoeg dezelfde personen. De managementvennootschap wordt enkele jaren later gedelegeerd bestuurder.

In het kader van een controle stelde de Belastingdienst dat de bakkerij niet de werkelijkheid van de onderliggende prestaties van managementvennootschap kon aantonen. De belastingplichtige stelt echter dat de Belgische wetsbepaling inzake de aftrek van beroepskosten (artikel 49 WIB 1992) geenszins vereist dat hij ook het daadwerkelijk bestaan van de prestaties bewijst; het bewijs van de echtheid en het bedrag van de kosten zou volgens de belastingplichtige volstaan.

Zowel de rechtbank van eerste aanleg als het hof van beroep oordeelde echter dat de belastingplichtige niet voldoet aan de wettelijke aftrekbaarheidsvoorwaarden door alleen vereffende facturen en een schriftelijke managementovereenkomst voor te leggen. Deze maken slechts een begin van bewijs uit en moeten worden ondersteund door andere bewijselementen.

Ook het Hof van Cassatie neemt een duidelijke stelling in: artikel 49 WIB 1992 laat in beginsel niet toe kosten af te trekken die niet aan werkelijke prestaties beantwoorden en de belastingplichtige moet steeds het bewijs leveren voor de kosten waarvan hij de aftrek vraagt. Het Hof verduidelijkt dat een niet-gesimuleerde overeenkomst ‘op zich’ niet het bewijs inhoudt dat de managementvergoedingen effectief steunen op werkelijk geleverde prestaties.

De voorwaarde betreffende de werkelijkheid van de onderliggende prestaties staat niet uitdrukkelijk in de wet en zij blijkt ook niet met zoveel woorden uit het administratieve commentaar. Zij vindt wel steun in het Verslag aan de Koning bij het volmachten-KB van 20 december 1996, dat het belang van het bewijs van de werkelijkheid van de beroepskost benadrukt. Zij vindt tevens steun in overvloedige rechtspraak, waaronder meerdere cassatiearresten. Onlangs weigerde bijvoorbeeld het hof van beroep te Luik de aftrek van managementvergoedingen, omdat slechts facturen en overzichten van de managementprestaties werden voorgelegd als bewijs van de werkelijkheid van de prestaties.

Ongetwijfeld zal de Belastingdienst dit cassatiearrest bij betwistingen inroepen om de aftrekbaarheid van managementvergoedingen te verwerpen indien de belastingplichtige niet of onvoldoende kan aantonen dat er werkelijke prestaties werden geleverd. Het is dan ook aangeraden om zo veel mogelijk ‘sporen’ achter te laten die de werkelijkheid van de geleverde prestaties kunnen staven (verslagen, e-mails etcetera).


Kris Lievens en Jeroen Debaere

Ga naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig