Belgische rechtspraak | KPMG | BE

Belgische rechtspraak in de bres voor toepassing notionele interestaftrek

Belgische rechtspraak

Wanneer een Belgische vennootschap deel uitmaakt van een multinational, durft de Belgische administratie weleens de toepassing van de notionele interestaftrek (hierna: NIA) te weigeren.

1000

Contact

Gerelateerde content

Wanneer een Belgische vennootschap deel uitmaakt van een multinational, durft de Belgische administratie weleens de toepassing van de notionele interestaftrek (hierna: NIA) te weigeren. Hierbij worden voornamelijk Belgische intragroepsfinancieringsvennootschappen zonder voldoende economische en organisatorische substantie geviseerd. De rechtspraak is echter niet van zin de belastingadministratie in haar strijd te steunen zo getuigen twee recente arresten, waaronder de zaak Fortum van het hof van beroep van Antwerpen.

 

De zaak Fortum

Begin 2008 richtte de Finse energieproducent Fortum een intragroepsfinancieringsvennootschap op in België (hierna: Belgische FinCo). De Finse topholding van de groep verstrekte een lening aan de Belgische FinCo, die vervolgens door de Belgische FinCo werd aangewend om op haar beurt een lening te verstrekken aan een Zweedse groepsvennootschap om een krachtcentrale in Rusland over te nemen.

Niet veel later bracht Fortum echter haar vordering op de Belgische FinCo in bij de Belgische FinCo, waardoor de schuld van de Belgische FinCo werd geconverteerd naar vermogen in handen van de Belgische FinCo en waarvoor Fortum nieuwe aandelen van de Belgische FinCo verkreeg. Door deze schuldconversie verhoogde de basis voor de NIA (zijnde het eigen vermogen) bij de Belgische FinCo substantieel. Deze NIA werd in mindering gebracht op de interesten die de Belgische FinCo ontving op de lening met de andere verbonden vennootschap, met als gevolg dat de belastbare basis van de Belgische FinCo aanzienlijk werd gedrukt.

 

Oordeel Bijzondere Belastinginspectie

De Bijzondere Belastinginspectie weigerde de toepassing van de NIA bij de Belgische FinCo te aanvaarden, omdat zij van oordeel was dat Fortum een artificiële constructie had opgezet die slechts was ingegeven door fiscale motieven. Bijgevolg dienden de interesten die de Belgische FinCo ontving van de Zweedse verbonden vennootschap als ‘abnormale of goedgunstige voordelen’ te worden gekwalificeerd waarop de NIA niet kan worden toegepast.

De Bijzondere Belastinginspectie haalde hierbij aan dat de activiteiten van de Belgische FinCo beperkt bleven tot het verstrekken van één enkele lening, waarvan de interesten niet opnieuw werden geïnvesteerd in België maar telkens werden uitgekeerd aan Fortum. De Belgische FinCo had geen enkele werknemer, huurde in België slechts een kantoor en had verder geen materiële vaste activa.

 

Arrest hof van beroep te Antwerpen

Nadat de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen zich eerder had aangesloten bij het standpunt van de Bijzondere Belastinginspectie, werd deze op 13 januari 2016 teruggefloten door het hof van beroep te Antwerpen.

Volgens dit hof moet niet worden gekeken naar de interesten die de Belgische FinCo ontving; het zou immers juist een ‘abnormale of goedgunstige’ situatie zijn wanneer de Belgische FinCo geen interesten zou ontvangen. Wel moet worden gekeken naar de inbreng van de schuldvordering in het kapitaal van de Belgische FinCo. Dit is immers de constructie waarover de Bijzondere Belastingadministratie van oordeel is dat zij alleen was ingegeven door fiscale motieven. Het hof van beroep van Antwerpen stelt dat deze inbreng niet kwalificeert als een abnormaal of goedgunstig voordeel, waardoor de Belgische FinCo in beginsel wel de NIA kon toepassen.

Het hof stelt verder dat het recht op toepassing van de NIA niet is onderworpen aan enige voorwaarde omtrent tewerkstelling of substantie, en bovendien dat het verstrekken van leningen als een economische activiteit kan worden beschouwd, zelfs indien dit beperkt zou zijn tot slechts enkele leningen. Bijgevolg oordeelde het hof dan ook dat de Bijzondere Belastinginspectie een voorwaarde had toegevoegd aan de toepassing van de NIA die niet in de wet was terug te vinden. Hiermee volgt het hof van beroep te Antwerpen het hof van beroep te Luik, dat op 26 juni 2015 in een gelijkaardige zaak eenzelfde oordeel velde.

 

Conclusie

Het is op zich niet verwonderlijk dat de Belgische administratie constructies wil aanvechten die minstens de schijn opwekken dat ze erop gericht zijn om slechts gebruik te maken van de fiscale voordelen die het Belgische fiscale stelsel biedt zonder bij te dragen aan de Belgische schatkist. Wanneer zij daarbij echter extra niet-wettelijke voorwaarden toevoegt, komt de rechtszekerheid in het gedrang.

Het is volgens ons dan ook volledig terecht dat de rechtspraak een duidelijk signaal geeft aan de belastingadministratie over waar de grens ligt. Wanneer een belastingplichtige aan alle wettelijke voorwaarden voor de toepassing van de beoogde fiscale voordelen (in casu de NIA) heeft voldaan, is er geen reden om hem dit te weigeren. Het valt nog af te wachten of de Belgische administratie in cassatie zal gaan tegen dit arrest, maar wij schatten de kansen van de belastingadministratie op succes somber in.


Kris Lievens en Jeroen Debaere

Ga naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig