Update Belgische btw

Update Belgische btw

Btw-belastingplicht voor rechtspersonen die als bestuurder optreden Hoewel inmiddels oud nieuws, laat de implementatie van de Belgische btw-belastingplicht voor rechtspersonen die als bestuurder optreden nog steeds op zich wachten.

Contact

Gerelateerde content

Btw-belastingplicht voor rechtspersonen die als bestuurder optreden

Hoewel inmiddels oud nieuws, laat de implementatie van de Belgische btw-belastingplicht voor rechtspersonen die als bestuurder optreden nog steeds op zich wachten.

Pro memorie, de Belgische btw-administratie publiceerde eind 2014 een beslissing die stelde dat rechtspersonen die als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar van een vennootschap optreden, vanaf 1 januari 2015 niet langer de keuze zouden hebben om hun bestuurdersvergoedingen al dan niet aan de btw te onderwerpen.

Bestuurdersvennootschappen die hun mandaten voor 2015 niet aan btw hadden onderworpen, dienden zich met ingang van die datum in principe voor btw-doeleinden te registreren en btw te rekenen over hun bestuurdersvergoedingen. Voor natuurlijke personen die als bestuurder optreden wijzigde er evenwel niets – op grond van de orgaantheorie worden zij alsnog geacht onzelfstandig op te treden ten aanzien van de vennootschap die zij vertegenwoordigen – waardoor hun bestuurdersvergoedingen buiten toepassingsgebied van de btw blijven.

Gelet op de korte overgangstermijn besloot de btw-administratie de implementatie van voormelde beslissing met een jaar uit te stellen tot 1 januari 2016. Wegens het uitblijven van richtlijnen hieromtrent heeft de btw-administratie de regeling eerst uitgesteld tot 1 april 2016 en zeer recent zelfs tot 1 juni 2016. Dit in afwachting van de publicatie van aanvullende toelichtingen in een afzonderlijke administratieve aanschrijving.

Zo blijven er tot op heden onduidelijkheden bestaan over de mogelijkheid voor de door deze regeling getroffen bestuurdersvennootschappen om eventueel btw-herzieningen door te voeren op historische investeringen waarvan de herzieningstermijn nog niet is verstreken, naar analogie met de overgangsregeling die voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen werd opgesteld. Dit geldt eveneens ten aanzien van de mogelijkheden en voorwaarden voor dergelijke bestuurdersvennootschappen om een btw-eenheid te vormen met de vennootschap die zij vertegenwoordigen teneinde de verschuldigde btw in bepaalde sectoren te beperken (bijvoorbeeld in de zorg en het bank- en verzekeringswezen).

 

Aansprakelijkheid bestuurders voor btw-schulden

Ook op het vlak van bestuurdersaansprakelijkheid werd recent een aantal verduidelijkingen gebracht in de Belgische rechtspraak omtrent de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen bestuurders voor de niet-betaling van btw-schulden.

De Belgische wetgeving stelt immers dat de btw-aansprakelijkheid van dagelijkse bestuurders kan worden uitgebreid tot alle bestuurders indien namens hen een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen aan een tekortkoming inzake de betaling van de belasting, interesten of bijkomende kosten. De herhaalde niet-betaling van btw (minstens twee kwartalen op jaarbasis voor kwartaalindieners en minstens drie maanden op jaarbasis voor maandaangevers) vormt hierbij een wettelijk weerlegbaar vermoeden van tekortkoming – behoudens financiële problemen die aanleiding geven tot een gerechtelijke procedure (faillissement, ontbinding en reorganisatie).

In het verleden werd er steeds van uitgegaan dat dit wettelijk weerlegbaar vermoeden alleen geldt ten aanzien van de dagelijkse bestuurders en dat de aansprakelijkheid van de andere bestuurders slechts kan worden ingeroepen indien de fout en het oorzakelijk verband namens de andere bestuurder door de Belastingdienst worden aangetoond.

Het hof van beroep van Antwerpen bevestigde dit standpunt vorig jaar uitdrukkelijk, maar oordeelde ook dat een fout in hoofde van de overige bestuurders voldoende bewezen is indien zij kennis hadden van de precaire situatie van de vennootschap en ‘op lichtzinnige, bijna irrealistische wijze’ zijn blijven hopen op het herstel van de vennootschap.

Volgens het hof hadden de bestuurders in casu geen enkele reden aan te nemen dat de financiële moeilijkheden van de vennootschap slechts tijdelijk waren en hebben zij als bestuurder dus verzaakt bij de uitoefening van hun controlebevoegdheid en -plicht. Dit was voor het hof voldoende bewijs om de aansprakelijkheid van de dagelijkse bestuurders uit te breiden naar de overige bestuurders.

Het hof benadrukte eveneens dat de uitzonderingsbepaling voor gerechtelijke procedures niet kan worden ingeroepen wanneer de herhaalde niet-betaling plaatsvindt voordat een dergelijke procedure wordt ingezet.

In een andere zaak oordeelde de rechtbank van eerste aanleg van Leuven in 2014 overigens dat voormelde wetsbepaling alleen kan worden ingeroepen ten aanzien van niet-betaalde btw in hoofdsom, inclusief interesten op dit bedrag, maar niet op eventuele geldboetes die worden opgelegd in navolging van de niet-betaling.


Gladys Cristiaensen en Olivier Deprez

Ga naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer