Verlaagde Belgische | KPMG | BE

Verlaagde Belgische roerende voorheffing op dividenden van minderheidsparticipaties

Verlaagde Belgische

Wanneer een niet-Belgische vennootschap een participatie van minder dan 10% heeft in een Belgische vennootschap, ondergaat zij de Belgische roerende voorheffing (in principe 27% vanaf 1 januari 2016) over het dividend en uitbetaald door de Belgische dochtervennootschap.

1000

Partner, Tax en Legal

KPMG in Belgium

Contact

Gerelateerde content

Wanneer een niet-Belgische vennootschap een participatie van minder dan 10% heeft in een Belgische vennootschap, ondergaat zij de Belgische roerende voorheffing (in principe 27% vanaf 1 januari 2016) over het dividend en uitbetaald door de Belgische dochtervennootschap.

Op Belgisch niveau kan de niet-Belgische vennootschap geen verrekening of terugbetaling van deze roerende voorheffing claimen (anders dan een eventuele vermindering op grond van het toepasselijke belastingverdrag). Daarentegen zal een Belgische vennootschap-aandeelhouder in dezelfde situatie de ingehouden roerende voorheffing gedeeltelijk wel kunnen recupereren als de participatie tenminste een aanschaffingswaarde heeft van minstens € 2,5 miljoen, zoals bepaald in de regeling van de Belgische deelnemingsvrijstelling (aftrek voor definitief belaste inkomsten, hierna ‘DBI-aftrek’).

In de zaak van Tate & Lyle Investments Ltd. oordeelde het Europese Hof van Justitie eerder dat deze situatie een schending vormt van de vrijheid van kapitaalverkeer. Bij wet van 28 december 2015 tracht de Belgische wetgever deze discriminatie nu op te heffen door een voorwaardelijke verlaging van de roerende voorheffing tot maximaal 1,6995% op dividenden uitbetaald aan een vennootschap uit een andere lidstaat.

De 1,6995% vertegenwoordigt precies dezelfde belastingdruk als voor een Belgische vennootschap die gebruik kan maken van de DBI-aftrek. Indien de DBI-aftrek van toepassing is, kan een Belgische vennootschap-aandeelhouder het ontvangen dividend immers voor 95% vrijstellen. Rekening houdende met het Belgische standaardtarief in de vennootschapsbelasting van 33,99% op de resterende 5% van het ontvangen dividend, resulteert dit in een effectieve belastingdruk van 1,6995%.

De verlaging van de roerende voorheffing is onderworpen aan verschillende voorwaarden. Ten eerste dient de niet-Belgische vennootschap gevestigd te zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (‘EER’) of in een staat waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten dat een clausule bevat die de uitwisseling van informatie mogelijk maakt.

Daarnaast is er ook een attestering noodzakelijk waarin bevestiging wordt gegeven van een aantal bijkomende voorwaarden. Het attest dient te bevestigen dat:
  1. de verkrijger een (vergelijkbare) rechtsvorm heeft zoals vermeld in de Moeder-dochterrichtlijn;
  2. de aanschaffingswaarde van de aandelen ten minste € 2,5 miljoen bedraagt;
  3. de bedoelde dividenden betrekking hebben op aandelen die gedurende ten minste één ononderbroken jaar in volle eigendom worden of werden gehouden;
  4. de Belgische roerende voorheffing, voor de verkrijgende vennootschap, verrekenbaar of terugbetaalbaar is.

De verlaging van de roerende voorheffing zal slechts gedeeltelijk zijn indien de verkrijgende, niet-Belgische vennootschap de ingehouden Belgische roerende voorheffing geheel of ten dele kan verrekenen in haar eigen lidstaat op basis van interne of verdragsrechtelijke bepalingen. In dat geval wordt het verlaagde tarief alleen toegepast op het deel van het dividend dat betrekking heeft op de roerende voorheffing die niet gerecupereerd kan worden. In de voorbereidende werken is, op basis van de tot en met 2015 geldende regelgeving, het volgende voorbeeld gegeven.

Stel dat een niet-Belgische, in de EER gevestigde vennootschap een dividend van 100 verkrijgt uit een deelneming aangehouden in een Belgische vennootschap die minder dan 10% van het aandelenkapitaal vertegenwoordigt maar met een aanschaffingswaarde van meer dan € 2,5 miljoen, dan dient de uitkerende vennootschap op dit dividend in principe een roerende voorheffing van 25% in te houden en af te dragen. Indien de verkrijgende vennootschap in haar woonstaat recht heeft op een verrekening van 10%, zal 15/25e van het ontvangen dividend (dus 60 van 100) in aanmerking komen voor het verlaagde tarief.

Op het overige gedeelte van het ontvangen dividend (40 van 100) zal het reguliere tarief van 25% worden toegepast, waardoor de verschuldigde roerende voorheffing in dat geval 11,02% van het dividend bedraagt.

Het kan worden betwijfeld of deze regeling de door het Europese Hof van Justitie gewraakte discriminatie volledig opheft. Intussen kunnen vennootschappen die aan de toepassingsvoorwaarden voldoen de verlaagde roerende voorheffing aan de bron vragen voor dividenden ontvangen vanaf 28 december 2015. Maar ook voor het verleden (en minstens voor roerende voorheffing betaald vanaf 1 januari 2012) kunnen zij onder dezelfde voorwaarden nog een teruggaaf van roerende voorheffing vragen.


Kris Lievens en Jeroen Debaere

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig