Fiscale waardering van Nederlandse | KPMG | BE

Fiscale waardering van Nederlandse pensioenverplichtingen behoeft aandacht

Fiscale waardering van Nederlandse

Veel Nederlandse directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) bouwen pensioen op in een eigen vennootschap.

1000

Contact

Gerelateerde content

Veel Nederlandse directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) bouwen pensioen op in een eigen vennootschap. Dit biedt hen de mogelijkheid de opgebouwde middelen zelf te beleggen of te investeren in de eigen onderneming. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden, wordt de heffing van inkomstenbelasting van de dga uitgesteld tot het moment van uitkering van het pensioen.

 

Een van de aandachtspunten ten aanzien van pensioen in eigen beheer is de fiscale waardering van de pensioenverplichting op de balans van de vennootschap. De Nederlandse fiscale wetgeving schrijft voor dat deze waarde wordt berekend met inachtneming van een rekenrente van ten minste 4%. Indien de marktrente lager is – zoals reeds geruime tijd het geval is – kan dit tot bijzondere situaties leiden. De Hoge Raad heeft onlangs over een dergelijke situatie geoordeeld en dient zich binnen afzienbare tijd uit te laten over een tweede situatie. Hierna lichten wij beide casussen toe aan de hand van het volgende voorbeeld.

 

Voorbeeld

 Marktrente 3 %
 Marktwaarde pensioenverplichting    €   1.000.000 
 Fiscale waarde pensioenverplichting    €   700.000


Overdracht

De casus (vereenvoudigd/gestileerd) waarover de Hoge Raad onlangs heeft geoordeeld, betrof de verkoop van een pensioenverplichting door vennootschap A aan vennootschap B. Deze verkoop vond plaats op 31 december 2005 tegen de marktwaarde (€ 1.000.000). Belanghebbende, vennootschap B, vermeldde de marktwaarde van de pensioenverplichting op haar fiscale slotbalans 2005. De Inspecteur stelde echter dat de pensioenverplichting voor fiscale doeleinden diende te worden gewaardeerd op de fiscale waarde (€ 700.000) en beschouwde het verschil tussen de marktwaarde en de fiscale waarde (€ 300.000) als belaste vrijvalwinst.

Het standpunt van de Inspecteur is in lijn met de wettekst, maar lijkt onredelijk omdat vennootschap B in werkelijkheid geen voordeel realiseert. De Hoge Raad erkende dit ook en stelde dat de verplichting tot het in aanmerking nemen van een vrijvalwinst bij vennootschap B indruist tegen de zogenoemde realiteits- en voorzichtigheidsbeginsels. Omdat de wetgever zich hiervan bij de introductie van de betreffende waarderingsregel ten volle bewust was en dit heeft geaccepteerd, stelt de Hoge Raad echter dat de huidige wettekst dient te worden gevolgd en dat het aan de wetgever is de wettekst aan te passen.

Hoewel wij bovengenoemde uitkomst onbevredigend achten, moet hierbij wel enige nuance worden aangebracht. Omdat de fiscale waarderingsregel eveneens geldt voor vennootschap A, zoals eerder door het gerechtshof werd bevestigd en bij de Hoge Raad niet meer in geschil was, kon vennootschap A een aftrekpost van het verschil tussen de marktwaarde en de fiscale waarde van de pensioenverplichting per 31 december 2015 effectueren. Uit de volgende casus blijkt dat van een dergelijke corresponderende aftrekpost in een grensoverschrijdende situatie doorgaans geen sprake is.

 

Immigratie

De casus waarover de Hoge Raad zich nog dient uit te laten betreft een eerder naar Curaçao verplaatste Nederlandse vennootschap, met daarin een in Nederland opgebouwd pensioen. Deze vennootschap werd op 1 januari 2009 terugverplaatst naar Nederland.

De Inspecteur neemt het standpunt in dat deze vennootschap de pensioenverplichting op haar fiscale openingsbalans per 1 januari 2009 dient te waarderen op de marktwaarde (€ 1.000.000) en op de fiscale balans per einde van het boekjaar op de fiscale waarde (€ 700.000), zodat ook hier sprake is van een belaste vrijvalwinst voor het verschil (€ 300.000).

De advocaat-generaal (A-G) concludeert dat de Hoge Raad het standpunt van de Inspecteur moet volgen. Hij verwijst in zijn conclusie naar de hiervoor besproken zaak en stelt dat het standpunt van de Inspecteur in overeenstemming is met de toepasselijke Nederlandse regelgeving. Omdat de belaste vrijval van de pensioenverplichting naar het oordeel van de A-G niet zijn oorsprong vindt in de verplaatsing van de vennootschap naar Nederland maar zich pas voordoet aan het einde van het boekjaar, is deze naar het oordeel van de A-G ook niet in strijd met Europees recht.

Opvallend is dat de A-G opmerkt dat de einduitkomst anders zou zijn geweest indien het pensioen geheel buiten de Nederlandse jurisdictie zou zijn opgebouwd. In dat geval zouden de fiscale waarderingsregels wat hem betreft buiten toepassing dienen te blijven op basis van doel en strekking daarvan.

Wij verwachten dat de beslissing van de Hoge Raad identiek zal zijn aan het hiervoor beschreven arrest: belastingheffing zonder dat rendement is gerealiseerd. Overigens is in deze zaak niet aan de orde gesteld dat de heffing leidt tot een aantasting van het vermogen, waardoor de vennootschap in de toekomst mogelijk niet aan haar verplichtingen kan voldoen en sprake is van strijdigheid met het EVRM.


Mark Bos en Mark Foesenek

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig