Nederlandse staatssecretaristot | KPMG | BE

Nederlandse staatssecretaristot 1 april 2016 coulant t.a.v. bestaande ATR’s

Nederlandse staatssecretaristot

In de oktobereditie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de wijzigingen in de Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 naar aanleiding van de aanpassingen in de Europese Moeder-dochterrichtlijn.

1000

Contact

Gerelateerde content

In de oktobereditie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de wijzigingen in de Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 naar aanleiding van de aanpassingen in de Europese Moeder-dochterrichtlijn.


De wijzigingen treden in werking op 1 januari 2016. Op basis van de gewijzigde regelgeving is een buitenlands lichaam met een (indirect) belang van 5% of meer in een in Nederland gevestigde vennootschap eerder Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd. Kort gezegd is dit het geval indien het buitenlandse lichaam onvoldoende ‘substance’ heeft.

De wijzigingen in de Wet op de dividendbelasting 1965 betreffen in Nederland gevestigde coöperaties. Deze zijn niet gehouden tot inhouding van Nederlandse dividendbelasting, tenzij (bij fictie) sprake is van misbruik. Op basis van de gewijzigde regelgeving is geen sprake van misbruik – en is een coöperatie dus niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting – indien het directe lid van de coöperatie voldoende substance heeft.

De hiervoor beschreven substance-eisen betreffen een aanscherping van de huidige regelgeving die ertoe kan leiden dat een bestaande ‘advanced tax ruling’ (hierna: ATR) in beginsel met ingang van 1 januari 2016 vervalt. Dit betreft ATR’s over de afwezigheid van buitenlandse vennootschapsbelastingplicht en/of de afwezigheid van inhoudingsplicht voor coöperaties in de dividendbelasting.

Omdat de staatssecretaris het – uit efficiencyoverwegingen – ongewenst acht dat bovengenoemde ATR’s per 1 januari 2016 vervallen, keurt hij goed dat een dergelijke ATR in stand blijft indien belanghebbende:

 

  • zich voor 1 januari 2016 schriftelijk meldt bij het APA/ATR-team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam);
  • hierbij de intentie uitspreekt om voor 1 april 2016 te voldoen aan de substance-eisen;
    verklaart dat hij erkent dat de ATR per 1 januari 2016 komt te vervallen indien niet voor 1 april 2016 aan de substance-eisen is voldaan;
  • voor 1 mei 2016 het APA/ATR-team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) informeert of is voldaan aan de substance-eisen

Overigens heeft de staatssecretaris uitdrukkelijk opgenomen dat de goedkeuring er niet toe kan leiden dat dividenduitkeringen uit of vervreemdingen van een aanmerkelijk belang respectievelijk opbrengsten uit een coöperatie tussen 1 januari 2016 en het tijdstip waarop aan de substance-eisen wordt voldaan, onbelast blijven. De goedkeuring betreft dus slechts het niet direct per 1 januari 2016 vervallen van de ATR. Indien op 1 januari 2016 niet aan de substance-eisen wordt voldaan, is uiterste voorzichtigheid – ook indien gebruik wordt gemaakt van deze goedkeuring – derhalve geboden.

In een recent overleg tussen de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), waarbij Meijburg & Co is aangesloten, en de Belastingdienst is met de Belastingdienst overeengekomen dat Meijburg & Co haar klanten voor bovengenoemde regeling kan aanmelden in één centraal verzoek met daarin de namen van alle relevante belastingplichtigen. Indien twijfel bestaat of aan de substance-eisen moet c.q. kan worden voldaan, geldt “better safe than sorry” en adviseren wij u zich – via Meijburg & Co – aan te melden.


Mark Bos en Mark Foesenek

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig