Notionele interestaftrek ook voor vennootschappen met weinig substantie

Notionele interestaftrek

Bij arrest van 26 juni 2015 heeft het hof van beroep te Luik geoordeeld dat een vennootschap met weinig substantie en die specifiek werd opgericht om gebruik te kunnen maken van de notionele interestaftrek (NIA) wel degelijk recht heeft op de aftrek.

Contact

Gerelateerde content

Bij arrest van 26 juni 2015 heeft het hof van beroep te Luik geoordeeld dat een vennootschap met weinig substantie en die specifiek werd opgericht om gebruik te kunnen maken van de notionele interestaftrek (NIA) wel degelijk recht heeft op de aftrek.

Een Luxemburgse groep richtte in 2006 een hooggekapitaliseerde Belgische financieringsvennootschap op, die dezelfde dag een lening toestond aan vier Luxem­burgse vastgoedvennootschappen van de groep. Hiervoor werden formele leningsovereenkomsten opgemaakt volgens de regels van de kunst. De interest op de leningen werd gekapitaliseerd. Nadien werden geen andere leningen meer verleend noch werden andere activiteiten uitgeoefend.

Volgens de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) had de Belgische vennootschap door de inbreng van het kapitaal en de onmiddellijke aanwending ervan via het toestaan van vier leningen een abnormaal of goedgunstig voordeel verkregen. De BBI was van mening dat het een louter artificiële constructie betrof die er enkel op gericht was om kunstmatig een significant fiscaal resultaat te creëren dat vervolgens bijna volledig werd ge­neutraliseerd door de notionele interestaftrek, terwijl de betaalde interest in hoofde van de Luxemburgse ontlenende vennootschappen volledig aftrekbaar was.

Krachtens artikel 207 WIB 1992 kan geen notionele interestaftrek worden toegepast op het resultaat dat voortkomt van verkregen abnormale of goedgunstige voordelen. Op grond hiervan weigerde de BBI de volledige notionele interestaftrek van de Belgische vennootschap.

Het hof van beroep te Luik fluit de BBI evenwel terug en stelt dat de Belgische financieringsvennootschap slechts gebruik heeft gemaakt van het door de Belgische wetgever gecreëerde stelsel van de notionele interestaftrek. Bovendien was niet aangetoond dat de oprichting van de vennootschap uitsluitend fiscaal gemotiveerd was. De beperkte substantie van de vennootschap noch andere feitelijke elementen zijn volgens het hof relevant. Het oordeelt dan ook dat geen sprake is van abnormale verrichtingen en dat de notionele interestaftrek niet kon worden geweigerd.

Het is opmerkelijk dat het hof in dergelijke uitdrukkelijke bewoordingen bevestigt dat de inbreng geen abnormaal voordeel uitmaakt in de zin van artikel 207 WIB 1992, ook niet wanneer de substantie van de vennootschap eerder beperkt is. Andere rechtspraak, weliswaar van lagere rechtbanken, heeft in gelijkaardige gevallen de notionele interestaftrek geweigerd.

Interessant is dat het hof tevens stelt dat – zelfs als sprake zou zijn van een abnormaal of goedgunstig voordeel (quod non) – artikel 207, lid 2 WIB 1992 niet toepasselijk kan zijn indien het abnormaal of goedgunstig voordeel wordt verkregen van een verwante buitenlandse vennootschap. Met andere woorden: het aftrekverbod op verkregen abnormale winst zou alleen spelen in een louter Belgische context. De ratio hierachter is dat slechts in dat geval de Belgische Staat benadeeld kan zijn, bijvoorbeeld wanneer belastbare winst van de ene Belgische vennootschap kunstmatig wordt verschoven naar een andere Belgische vennootschap met een hoog bedrag aan notionele interestaftrek of compensabele fiscale verliezen.

We kunnen dus besluiten dat de Belastingdienst met het arrest van 26 juni 2015 weer een wapen uit handen is geslagen in de strijd tegen het zogenoemde artificiële gebruik van de notionele interestaftrek. Niettemin blijft het noodzakelijk om de Belgische financieringsvennootschap van voldoende substantie te voorzien. In het licht van de ‘Base Erosion and Profit Shifting’-maatregelen (BEPS) die de OESO oplegt, wordt het alsmaar belangrijker om een werkelijke economische activiteit en substantie aan te tonen.

Daarenboven beschikt de Belgische Belastingdienst nog steeds over andere wapens, zoals de simulatieleer en de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344 WIB 1992.


Kris Lievens

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer