Nadere uitwerking voorstellen Nederlandse kabinet tijdens Prinsjesdag 2015

Nadere uitwerking voorstellen Nederlandse

In de vorige editie van deze newsletter informeerden wij u reeds kort over de door het Nederlandse kabinet op 15 september 2015 gepubliceerde fiscale voorstellen. In deze editie gaan wij op een viertal voorstellen nader in.  

Contact

Gerelateerde content

In de vorige editie van deze newsletter informeerden wij u reeds kort over de door het Nederlandse kabinet op 15 september 2015 gepubliceerde fiscale voorstellen. In deze editie gaan wij op een viertal voorstellen nader in.  


Aanscherping van de conserverende aanslag

Indien een inwoner van Nederland met een belang van 5% of meer in een vennootschap (hierna: dga) emigreert, bijvoorbeeld naar België, legt de Nederlandse Belastingdienst aan hem een zogenoemde conserverende aanslag inkomstenbelasting op.

Deze aanslag bedraagt 25% van de meerwaarde van de aandelen in de desbetreffende vennootschap op het moment van emigratie.

Op basis van de bestaande wetgeving hoeft de conserverende aanslag niet direct te worden voldaan en wordt deze circa tien jaar na emigratie op verzoek kwijtgescholden indien tot dat moment geen zogenoemde verboden handelingen hebben plaatsgevonden. Zodra gedurende de looptijd van de conserverende aanslag wel een dergelijke handeling plaatsvindt, wordt de conserverende aanslag ingevorderd. Verboden handelingen zijn onder meer de verkoop van de aandelen door de dga, de terugbetaling van kapitaal door de vennootschap en het geheel of nagenoeg geheel (lees: voor 90% of meer) uitkeren van de reserves van de vennootschap.

Onder bovengenoemde voorwaarden kon een dga die emigreerde van Nederland naar België binnen tien jaar na emigratie (theoretisch) 89% van de reserves in zijn vennootschap onbelast overhevelen naar privé en de resterende 11% van de reserves kort na kwijtschelding van de conserverende aanslag na de termijn van tien jaar. Omdat het kabinet dit onwenselijk acht, stelt het voor:

  • de mogelijkheid tot kwijtschelding van de conserverende aanslag na circa tien jaar te laten vervallen;
  • de conserverende aanslag in te vorderen indien de vennootschap na emigratie van de dga reserves uitdeelt – ook wanneer de uitgedeelde reserves minder bedragen dan 90% van de reserves van de vennootschap.

Op basis van het ingediende wetsvoorstel zijn bovengenoemde aanpassingen van toepassing ten aanzien van conserverende aanslagen die zijn of worden opgelegd naar aanleiding van emigraties vanaf 15 september 2015, 15.15 uur (het moment waarop het wetsvoorstel openbaar werd).

 

Implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn

Onder meer in de december 2014-editie van deze newsletter berichtten wij u over de noodzaak tot de introductie van een zogenoemde algemene antimisbruikbepaling in de Nederlandse fiscale wetgeving naar aanleiding van een wijziging in de Moeder-dochterrichtlijn. Daarnaast dient Nederland op basis van een andere recente wijziging van de Moeder-dochterrichtlijn een zogenoemde antihybride bepaling in zijn nationale wetgeving op te nemen. Het Belastingplan 2016 bevat de implementatie van deze wijzigingen.

 

Antihybride bepaling

Op basis van de gewijzigde Moeder-dochterrichtlijn dient een lidstaat, bijvoorbeeld Nederland, een winstuitkering van zijn dochtermaatschappij uit een andere lidstaat te belasten voor zover die bij deze dochtermaatschappij aftrekbaar is. Om hieraan te voldoen wordt in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) een uitzondering opgenomen op basis waarvan de Nederlandse deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op een vergoeding van of een betaling door een deelneming voor zover deze (naar haar aard) bij die deelneming aftrekbaar is voor de winstbelasting.

Hoewel de toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn in beginsel beperkt is tot lidstaten van Europa, heeft het kabinet er, evenals onder meer het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland en Frankrijk, voor gekozen deze wijziging ook in niet-EU-situaties toe te passen.

De gewijzigde bepaling is van toepassing ten aanzien van zogenoemde hybride financieringsvormen. Een voorbeeld hiervan is een ‘profit participating loan’ (hierna: PPL), die in het buitenland als vreemd vermogen kwalificeert en voor Nederlandse fiscale doeleinden als eigen vermogen. Voor de introductie van bovengenoemde uitzondering was de vergoeding op deze PPL aftrekbaar in het buitenland en – op basis van de deelnemingsvrijstelling – vrijgesteld in Nederland. Op grond van de voorgestelde uitzondering geldt de deelnemingsvrijstelling niet meer ten aanzien van vergoedingen op de PPL vanaf 1 januari 2016.

 

Algemene antimisbruikbepaling

De algemene antimisbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn verplicht lidstaten eveneens de voordelen van de richtlijn te ontzeggen wanneer een constructie of een reeks constructies kunstmatig is opgezet om een belastingvoordeel te verkrijgen en deze (reeks van) constructie(s) geen verband houdt met de economische realiteit.

In dit kader wordt voorgesteld de huidige antimisbruikbepaling in de Wet Vpb 1969 voor zogenoemde technisch-aanmerkelijkbelangaandelen te wijzigen. Op basis van de huidige regeling in dit kader is een buitenlands lichaam met een (indirect) belang van 5% of meer in een Nederlandse vennootschap Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd indien dit belang:

  • wordt gehouden met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan; en
  • niet behoort tot het vermogen van een onderneming.

Op basis van de voorgestelde bepaling, die eveneens een wereldwijd toepassingsbereik heeft, vervalt vanaf 1 januari 2016 de laatstgenoemde voorwaarde en is Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd indien:

  • een buitenlands lichaam een (indirect) belang van 5% of meer in een Nederlandse vennootschap houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting te ontgaan; en
  • sprake is van een kunstmatige constructie of een reeks van constructies.

Van een kunstmatige constructie is sprake indien een constructie niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Uit de parlementaire toelichting volgt dat van een dergelijke constructie in beginsel geen sprake is indien voldoende ‘substance’ aanwezig is op het niveau van de vennootschap, die het aanmerkelijk belang houdt.

 

Inhoudingsplicht dividendbelasting bij coöperaties

Het kabinet stelt verder voor de bestaande antimisbruikbepaling in de Wet op de dividendbelasting 1965 op vergelijkbare wijze aan te passen. Hierdoor zullen coöperaties – die in beginsel niet gehouden zijn tot inhouding van dividendbelasting – mogelijk eerder tot inhouding van Nederlandse dividendbelasting verplicht zijn. Dit zal met name het geval kunnen zijn in situaties waarin onvoldoende substance aanwezig is bij de directe leden van de coöperatie.

 

Country-by-countryrapportering

Elders in deze nieuwsbrief wordt ingegaan op de rapporten van de OESO in het kader van Base Erosion and Profit Shifting (BEPS). In deze rapporten wordt lidstaten onder meer aanbevolen zogenoemde country-by-countryrapportering te introduceren (actiepunt 13). Het kabinet is voornemens de aanbevelingen in dit verband per 1 januari 2016 te implementeren.

Op basis van de voorstellen in het Belastingplan 2016, die zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de OESO, dienen in Nederland gevestigde moedermaatschappijen van multinationale ondernemingen met een geconsolideerde jaaromzet van € 750 miljoen of meer jaarlijks een country-by-countryrapport (landenrapport) in te dienen bij de Nederlandse Belastingdienst.

Dit landenrapport moet onder andere informatie bevatten over de wereldwijde fiscale winstverdeling en de betaalde winst- en bronbelasting per land waarin de onderneming is gevestigd. De Nederlandse Belastingdienst dient de relevante informatie vervolgens uit te wisselen met de betreffende landen.

Overigens kan ook een Nederlandse groepsmaatschappij van een buitenlandse multinationale onderneming onder voorwaarden verplicht zijn tot indiening van een landenrapport en kan het opzettelijk of grofschuldig niet voldoen aan de verplichtingen in dit kader op basis van het wetsvoorstel leiden tot een maximale boete van € 20.250 of strafvervolging.

Daarnaast vereist het ingediende wetsvoorstel dat iedere Nederlandse groepsvennootschap van een multinationale groep met een geconsolideerde jaaromzet van € 50 miljoen of meer beschikt over een zogenoemd groepsdossier en een lokaal dossier.

Deze dossiers dienen beschikbaar te zijn op het moment waarop de Nederlandse vennootschap haar aangifte vennootschapsbelasting indient. Het groepsdossier moet informatie bevatten over de structuur en de activiteiten van de groep als geheel alsmede over de wereldwijd toegepaste transferpricingsystematiek en de allocatie van inkomsten. Het lokale dossier dient de relevante informatie ten aanzien van de groepstransacties van de betreffende vennootschap te bevatten.

Op basis van het wetsvoorstel dienen bovengenoemde dossiers voor het eerst beschikbaar te zijn ten tijde van indiening van de aangifte vennootschapsbelasting 2016, voor veel belastingplichtigen derhalve in de loop van 2017. Lees meer.

 

Verruiming schenkingsvrijstelling eigen woning

Het laatste Prinsjesdagvoorstel waarop wij nader willen ingaan is de uitbreiding van de eenmalige schenkbelastingvrijstelling voor schenkingen die verband houden met de eigen woning. Op basis van de huidige regeling kan een verkrijger (per schenker eenmaal in zijn of haar leven) op basis van de verhoogde schenkbelastingvrijstelling eenmalig belastingvrij een schenking van € 52.752 (bedrag 2015) ontvangen indien:

  • het een schenking van ouder(s) aan een kind tussen 18 en 40 jaar oud betreft;
  • de schenking verband houdt met de verwerving of verbouwing van een eigen woning, de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming dan wel de aflossing van de eigenwoningschuld of een restschuld.

Het kabinet stelt voor bovengenoemde vrijstelling vanaf 1 januari 2017 permanent te verhogen tot € 100.000 en vanaf die datum de voorwaarde dat het een schenking betreft van ouder(s) aan een kind te laten vervallen. De voorwaarde dat de verkrijger op het moment van de schenking tussen 18 en 40 jaar oud is, blijft gelden.

Zoals u wellicht bekend is, gold vanaf 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2014 eveneens een verhoogde vrijstelling in verband met de eigen woning van € 100.000. Indien u deze verhoogde vrijstelling of de ‘reguliere’ verhoogde vrijstelling in verband met de eigen woning nog niet (volledig) hebt toegepast, kunt u onder de nieuwe verhoogde vrijstelling belastingvrij (het resterende gedeelte van) € 100.000 schenken.

Wij benadrukken dat de verruiming van de vrijstelling in werking treedt op 1 januari 2017 en dat tot en met 2016 de reguliere verhoogde vrijstelling in verband met de eigen woning van toepassing is. In voorkomende gevallen kan het raadzaam zijn een schenking (gedeeltelijk) uit te stellen tot na 1 januari 2017.


Mark Bos en Mark Foesenek

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer