Acquisitie via Belgische | KPMG | BE

Acquisitie via Belgische dan wel Nederlandse vennootschap

Acquisitie via Belgische

Of een acquisitie vanuit een Belgische dan wel een Nederlandse vennootschap wordt verricht, hangt af van tal van factoren...

1000

Contact

Gerelateerde content

Of een acquisitie vanuit een Belgische dan wel een Nederlandse vennootschap wordt verricht, hangt af van tal van factoren: de locatie van de targetgroep, de locatie van de aandeelhouder(s), verdrags- of andere voordelen, bestaande aanwezigheid etcetera. Ook de regels over de deelnemingsvrijstelling kunnen de voorkeur voor een bepaalde jurisdictie beïnvloeden. Hoewel er binnen de EU reeds een meer dan behoorlijke harmonisatie van de regels is doorgevoerd (onder meer de Moeder-dochterrichtlijn), blijven er toch wezenlijke verschillen tussen de lidstaten; dat geldt ook voor Nederland en België.

 

1. Dividenden ontvangen door een houdstervennootschap

Dividenden uitgekeerd door een overgenomen vennootschap aan een overnemende vennootschap kunnen zowel in België als in Nederland genieten van een deelnemingsvrijstelling indien bepaalde voorwaarden zijn vervuld. De Belgische deelnemingsvrijstelling voorziet dat 95% van de ontvangen dividenden kan worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting (de zogenoemde DBI-aftrek). De overige 5% is belastbaar, wat tot een effectieve belastingvoet van ongeveer 1,7% leidt. Beroepskosten (inclusief interesten ter financiering van de aankoop van de aandelen) en overgedragen verliezen kunnen worden afgezet tegen deze 5%. In Nederland is die vrijstelling 100% van het ontvangen dividend.

Om van deze deelnemingsvrijstelling te kunnen genieten, moet de aandelenparticipatie die recht geeft op het dividend aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo wordt de Belgische vrijstelling alleen toegekend indien de onderliggende inkomsten aan een voldoende belasting zijn onderworpen op het niveau van de dochteronderneming (taxatievereiste). Hiervoor voorziet de Belgische wetgeving vijf relatief complexe uitsluitingen die rekening houden met de fiscale behandeling van de dochter.

In essentie komt dit erop neer dat geen deelnemingsvrijstelling wordt toegestaan voor dividenden uitgekeerd door vennootschappen die niet of (te) laag worden belast. In de relatie België-Nederland zal deze taxatievoorwaarde gewoonlijk niet leiden tot enig probleem, tenzij de Nederlandse vennootschap bijvoorbeeld als tussenvennootschap dient en de dividenden die zij van een niet-belaste vennootschap ontvangt in Nederland onder de lokale deelnemingsvrijstelling worden vrijgesteld.

Verder wordt de deelnemingsvrijstelling op dividenden voorbehouden voor vennootschappen met een voldoende grote en duurzame participatie. De ontvangende vennootschap moet een deelneming bezitten van minstens 10% in het kapitaal ofwel met een aanschafwaarde van minstens € 2,5 miljoen.

Deze participatie moet bovendien gedurende een ononderbroken periode van minstens één jaar in volle eigendom worden behouden. In Nederland is de deelnemingsvrijstelling in beginsel van toepassing op een deelneming als een Nederlandse houdstermaatschappij ten minste 5% van het nominaal gestorte aandelenkapitaal bezit van de deelneming en de deelneming niet wordt gehouden ter belegging (de zogeheten intentietest). Als de intentie waarmee de deelneming wordt gehouden niet voldoende duidelijk is of de deelneming kwalificeert bij fictie als een beleggingsdeelneming, dan is de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing als deze niet kwalificeert als een zogeheten laagbelaste beleggingsdeelneming.

Een deelneming kwalificeert niet als laagbelaste beleggingsdeelneming maar als een kwalificerende beleggingsdeelneming als:

  • de deelneming onderworpen is aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing (onderworpenheidstoets);
  • de (on)middellijke bezittingen van de deelneming doorgaans voor minder dan 50% uit laagbelaste vrije beleggingen bestaan (bezittingentoets).

Is de Nederlandse deelnemingsvrijstelling van toepassing, dan is de eventueel ingehouden dividendbelasting niet verrekenbaar of aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting. Dat geldt in beginsel ook voor aan- en verkoopkosten.



2. Dividenden uitgekeerd door een houdstervennootschap


De uitkering van dividenden is in België gewoonlijk onderworpen aan een roerende voorheffing van 25%. Een vermindering of vrijstelling van deze voorheffing op dividenden is mogelijk onder de dubbelbelastingverdragen (bijvoorbeeld 15% of in bepaalde gevallen 5% onder het Belgisch-Nederlands verdrag) of onder het Belgische interne recht.

Veruit de belangrijkste vrijstelling (‘verzaking’) is voorzien voor dividenden uitgekeerd aan kwalificerende moedervennootschappen die hun fiscale woonplaats hebben in de EU (vergelijk de Europese Moeder-dochterrichtlijn) of in eender welke staat waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten (voor zover er een uitwisseling van informatie voorzien is met deze staat). Het is hierbij overigens onbelangrijk wat het dubbelbelastingverdrag zelf bepaalt over dividenden.

Mits aan een aantal bijkomende voorwaarden wordt voldaan, zijn op deze grond intragroepsuitkeringen aan zo goed als alle verdragslanden mogelijk zonder Belgische bronheffing. De bijkomende voorwaarden zijn:

  • een minimumparticipatie van 10% is vereist, die voor een minimumperiode van één jaar moet worden aangehouden;
  • de ontvangende vennootschap moet zijn opgenomen op de lijst van rechtsvormen in de bijlage bij de Moeder-dochterrichtlijn (waarin de meest gebruikelijke rechtsvormen zijn opgenomen) ofwel een gelijksoortige rechtsvorm hebben indien de vennootschap in een verdragsstaat is gevestigd;
  • de groep moet zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting, zonder te genieten van een afwijkend stelsel.

Ten slotte is er in het Belgische interne recht een bijzondere vermindering van de bronheffing voorzien voor uitkeringen door een Belgische dochtervennootschap aan een moedervennootschap gevestigd in de EER die een deelneming bezit van minder dan 10% maar met een aanschaffingswaarde van meer dan € 2,5 miljoen (als gevolg van het Europese Tate & Lyle-arrest heeft de Belgische regering beslist om het tarief van de roerende voorheffing te verlagen naar 1,69%).

Naast de gebruikelijke bronheffing (roerende voorheffing) heeft de Belgische regering onlangs de zogenoemde fairness tax geïntroduceerd. Dit is een afzonderlijke taxatie van 5,15% voor grote vennootschappen die dividenden uitkeren uit winsten die niet worden belast omwille van de aftrek van risicokapitaal (notionele interestaftrek) en aftrek van vorige fiscale verliezen.

De Nederlandse dividendbelasting bedraagt 15%. Dit tarief wordt onder toepassing van de Moeder‑dochterrichtlijn vaak verminderd tot 0%. De toepassing van belastingverdragen leidt ook tot vermindering of vrijstelling van inhouding van dividendbelasting. De dividendbelasting is in beginsel niet van toepassing op het transfereren van winsten door vaste inrichtingen en coöperaties (tenzij bij coöperaties sprake is van misbruiksituaties). Ook zijn winstuitkeringen binnen de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vrij van dividendbelasting.

Nederland kent een dooruitdelingsfaciliteit die voorziet in een vermindering van de afdracht van ingehouden dividendbelasting.

Deze vermindering wordt toegekend in geval van dooruitdeling van ontvangen dividenden waarop buitenlandse bronbelasting is ingehouden. Om voor deze vermindering van 3% in aanmerking te komen, moet aan zeer strikte voorwaarden worden voldaan.



3. Meerwaarde op aandelen


Tot voor enkele jaren was het Belgische belastingregime van toepassing op meerwaarden op aandelen gerealiseerd door Belgische vennootschappen vrij eenvoudig: ofwel was er een volledige vrijstelling op gerealiseerde meerwaarden, ofwel was de meerwaarde volledig aan belasting onderworpen (indien het ging om meerwaarden op aandelen in vennootschappen die niet aan het taxatievereiste voor dividenduitkeringen voldoen, zie eerder in deze nieuwsbrief).

Voor deze laatste categorie (bijvoorbeeld aandelen in vennootschappen in belastingparadijzen) is er niets veranderd: deze blijven aan het normale tarief van 33,99% onderworpen (of het verlaagde opklimmende tarief voor kleine of middelgrote ondernemingen).

De volledige vrijstelling op aandelen is nu alleen nog van toepassing op meerwaarden gerealiseerd door ‘kleine’ vennootschappen overeenkomstig het Belgische Wetboek Vennootschappen (gemiddeld minder dan honderd personeelsleden en overschrijding van niet meer dan een van de volgende criteria: gemiddeld personeelsbestand van maximaal 50, omzet van € 7,3 miljoen en balanstotaal van € 3,65 miljoen) voor zover de aandelen minstens één jaar werden aangehouden.

Voor andere (grote) vennootschappen is een meerwaardebelasting van 0,412% van toepassing, opnieuw op voorwaarde dat de aandelen minstens één jaar ononderbroken in volle eigendom werden aangehouden. Indien de voorwaarde van één jaar houdperiode niet wordt nageleefd, worden de meerwaarden zowel voor kleine als voor grote vennootschappen belast tegen 25,75%.

Bedenk hierbij dat op de meerwaarden die worden onderworpen aan de heffing van 0,412% geen aftrekken mogen worden toegepast (zoals overgedragen verliezen, de notionele interestaftrek, investeringsaftrek en verliezen van het boekjaar).
Als de Nederlandse deelnemingsvrijstelling van toepassing is, dan zijn alle voordelen uit hoofde van een deelneming, zoals dividenden (in welke vorm dan ook ontvangen), vermogenswinsten (en -verliezen) en koersresultaten, vrijgesteld. Voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling is niet relevant hoe lang de deelneming wordt aangehouden.

Recentelijk is de Wet compartimenteringsreserve in werking getreden, die terugwerkt tot en met 14 juni 2013. Indien op enig moment sprake is van een sfeerovergang – de deelnemingsvrijstelling is niet langer meer van toepassing, dan wel wordt van toepassing – dan dient een compartimenteringsreserve te worden gevormd. Uitkeringen van dividend, of bijvoorbeeld de vervreemding van de deelneming, kunnen onder de regeling van de compartimenteringsreserve tot belaste afwikkeling van de gevormde reserve leiden. In de volgende nieuwsbrief zal deze nieuwe Nederlandse wet verder worden toegelicht.



4. Conclusie


Zoals blijkt, zijn er bepaalde verschillen in het fiscale regime voor een houdstervennnootschap in België ten opzichte van een houdstervennootschap in Nederland. Bij de keuze voor de locatie van de houdstervennootschap voor een overname zal dus een afweging moeten worden gemaakt van de fiscale voor- en nadelen van beide regimes. Daarbij zal in het bijzonder aandacht moeten worden besteed aan de nodige substantie om daadwerkelijk toegang te hebben tot het beoogde fiscale regime. Naast fiscale aspecten zal eveneens rekening moeten worden gehouden met niet-fiscale aspecten, zoals de eventuele commerciële voorkeur van investeerders en financiers.


Wouter Caers en Hannes Laloo

Ga naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig