Standpunt Nederlandse ministerie van Financiën | KPMG | BE

Standpunt Nederlandse ministerie van Financiën over gevolgen Skandia-arrest

Standpunt Nederlandse ministerie van Financiën

In september 2014 heeft het Europese Hof van Justitie (HvJ) uitspraak gedaan in de zaak Skandia (nr. C‑7/13).

1000

Contact

Gerelateerde content

In september 2014 heeft het Europese Hof van Justitie (HvJ) uitspraak gedaan in de zaak Skandia (nr. C‑7/13). In deze Zweedse zaak oordeelt het HvJ kort gezegd dat dienstverlening door een hoofdhuis in de Verenigde Staten aan een Zweedse vaste inrichting die daar deel uitmaakt van een fiscale eenheid belastbaar is voor de btw. Op grond van eerdere rechtspraak was de algemene opvatting dat dergelijke prestaties niet onderworpen zijn aan btw-heffing.


Als gevolg van het oordeel van het HvJ is in Nederland discussie ontstaan over de vraag of deze uitspraak ook gevolgen heeft voor de Nederlandse praktijk – bijvoorbeeld wanneer een hoofdhuis in België diensten verricht jegens een vaste inrichting in Nederland die aldaar deel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de btw.

Een andere vraag die het arrest oproept, is of de diensten ook belastbaar zijn in de spiegelbeeldsituatie waarin (bijvoorbeeld) een vaste inrichting diensten verricht jegens een hoofdhuis in Nederland dat daar onderdeel is van een fiscale eenheid voor de btw. Deze vragen zijn met name van belang in situaties waarin de fiscale eenheid voor de btw geen of slechts een beperkt recht op aftrek van voorbelasting heeft. In dat geval betekent het onderwerpen van de diensten aan btw-heffing immers een materiële btw-last voor de fiscale eenheid.

Zeer recent heeft het Nederlandse ministerie van Financiën officieus bekendgemaakt dat hij het Skandia-arrest niet van toepassing acht in de Nederlandse praktijk. Dit geldt zowel in de situatie van een Nederlands hoofdhuis dat deel uitmaakt van een Nederlandse fiscale eenheid voor de btw als in de situatie dat een Nederlandse vaste inrichting onderdeel is van een Nederlandse fiscale eenheid voor de btw.

Het belangrijkste argument voor dit standpunt is dat het ‘fiscale eenheid btw’-regime in Zweden verschilt van het fiscale eenheid btw-regime in Nederland; volgens het ministerie mist de uitspraak van het HvJ hierdoor analoge toepassing in de Nederlandse praktijk. Het standpunt van het ministerie zal officieel worden gepubliceerd door aanpassing van het reeds bestaande beleidsbesluit over vaste inrichtingen in de btw (beter bekend als Mededeling 22).

Wij merken op dat het bovenstaande standpunt van het Ministerie van Financiën uitsluitend ziet op de Nederlandse praktijk. Verschillende andere lidstaten van de Europese Unie stellen zich op het standpunt dat het arrest onverkort van toepassing is.


Frank Nellen

Ga naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig