Dient Nederland aftrek van een valutakoersverlies op een buitenlandse deelneming toe te staan?

Dient Nederland aftrek van een valutakoersverlies

Gerechtshof Den Haag oordeelde onlangs dat Nederland ongeacht de toepassing van de deelnemingsvrijstelling de aftrek van een valutakoersverlies op een deelneming moet toestaan.

Contact

Gerelateerde content

Gerechtshof Den Haag oordeelde onlangs dat Nederland ongeacht de toepassing van de deelnemingsvrijstelling de aftrek van een valutakoersverlies op een deelneming moet toestaan.


Deze uitspraak is opvallend, omdat hij indruist tegen de conclusie van advocaat-generaal (A-G) Kokott in een zaak die momenteel voorligt bij het Europese Hof van Justitie (HvJ). De staatssecretaris heeft inmiddels tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag beroep in cassatie aangetekend.

 

Casus Gerechtshof Den Haag

De casus voor het gerechtshof kan als volgt (vereenvoudigd) worden weergegeven. X NV vormt een fiscale eenheid met een aantal dochtermaatschappijen. Een van de gevoegde dochtermaatschappijen houdt een Britse deelneming, die binnen de groep wordt ‘verhangen’ naar een niet-gevoegde dochtermaatschappij. Bij deze interne verhanging lijdt de fiscale eenheid X NV een valutakoersverlies vanwege een waardedaling van het Britse pond ten opzichte van de euro.

Op het valutakoersverlies is de deelnemingsvrijstelling van toepassing. Hierdoor is dit verlies op basis van de Nederlandse nationale wet per saldo niet aftrekbaar. Het geschil betreft de vraag of de deelnemingsvrijstelling in casu buiten toepassing dient te blijven, omdat sprake is van een ongerechtvaardigde belemmering van de vrijheid van vestiging. Gerechtshof Den Haag oordeelt dat dit het geval is en dat Nederland aftrek van het valutaverlies moet toestaan.

 

Casus HvJ

De zaak die voorligt bij het HvJ betreft een Zweedse vennootschap met (eveneens) een Britse deelneming met een aandelenkapitaal in Amerikaanse dollars. De Zweedse vennootschap is voornemens de activiteiten van de Britse deelneming te beëindigen en verwacht daarbij een valutaverlies te lijden dat op grond van de Zweedse nationale wet niet aftrekbaar is.

Logischerwijs maakt de advocaat-generaal in haar conclusie de vergelijking met het arrest Deutsche Shell. Daarin oordeelde het HvJ in 2008 dat een valutakoersverlies op het ‘kapitaal’ van een buitenlandse vaste inrichting onder voorwaarden aftrekbaar is.

Hoewel er in de literatuur en de praktijk voor is gepleit het arrest Deutsche Shell ook toe te passen in relatie tot deelnemingen en de Nederlandse wetgever naar aanleiding hiervan een specifieke bepaling in de wet heeft opgenomen (artikel 28b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969), is naar het oordeel van de advocaat‑generaal voor toepassing van dit arrest in de betreffende casus geen plaats. Erg overtuigend zijn haar argumenten echter niet.


Hoe nu verder?

De uitspraak van het gerechtshof en de conclusie van de advocaat-generaal lijken tegenstrijdig te zijn, maar opgemerkt moet worden dat de casussen op een essentieel onderdeel van elkaar verschillen. Zo is in de Nederlandse zaak sprake van een valutaverlies door omrekening van Britse ponden, terwijl het in de Zweedse zaak gaat om Amerikaanse dollars.

In de Nederlandse zaak is het verlies in het Verenigd Koninkrijk dus niet zichtbaar en derhalve ook niet te verrekenen en in de Zweedse zaak is dit mogelijk wel het geval, afhankelijk van de valutakoersontwikkeling van de Amerikaanse dollar in het Britse pond (in de feiten wordt daar niets over gezegd), zodat in de Zweedse zaak mogelijk (ook) een verlies in de lidstaat van de deelneming in mindering kan worden gebracht.

Dan lijkt aan een belangrijke voorwaarde uit het arrest Deutsche Shell niet te zijn voldaan. Het woord is nu waarschijnlijk eerst aan het HvJ in de Zweedse zaak. Wij zijn erg benieuwd naar de uitkomst van deze procedure, die leidend zou kunnen worden in de cassatieprocedure naar aanleiding van de uitspraak van Gerechtshof Den Haag.

Wij adviseren om in voorkomende gevallen – waarin sprake is van een valutaverlies op een buitenlandse deelneming – tijdig uw rechten veilig te stellen en houden u uiteraard op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.


Mark Bos, Mark Foesenek en Paul te Boekhorst

 

Ga naar de overzichtspagina

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer