Europees Hof van Justitie acht weigering aftrek uitgaven voor buitenlands monumentenpand toelaatbaar

Europees Hof van Justitie

In de november 2014-editie van deze newsletter bespraken wij de conclusie van de advocaat‑generaal (A-G) van het Europese Hof van Justitie (HvJ) ten aanzien van de aftrek van uitgaven voor een Belgisch monumentenpand en schatten wij de kans van slagen van het standpunt van belanghebbende in de betreffende zaak op 50/50. Op 18 december 2014 is het arrest van het HvJ verschenen. Het heeft het standpunt van belanghebbende verworpen.

Partner, Tax en Legal

KPMG in Belgium

Contact

Gerelateerde content

In de november 2014-editie van deze newsletter bespraken wij de conclusie van de advocaat‑generaal (A-G) van het Europese Hof van Justitie (HvJ) ten aanzien van de aftrek van uitgaven voor een Belgisch monumentenpand en schatten wij de kans van slagen van het standpunt van belanghebbende in de betreffende zaak op 50/50. Op 18 december 2014 is het arrest van het HvJ verschenen. Het heeft het standpunt van belanghebbende verworpen.

 

De casus betreft de volgende. X woont in een monumentaal kasteel in België, is directeur/enig aandeelhouder van een bv en werkt in Nederland. X heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2004 geopteerd voor behandeling als binnenlands belastingplichtige en claimt € 18.140 als persoonsgebonden aftrek in verband met de onderhoudskosten van zijn kasteel.

De Inspecteur heeft de aftrek van € 18.140 geweigerd.

Op basis van de wettekst bestaat slechts recht op aftrek van onderhoudskosten indien deze kosten betrekking hebben op een monumentenpand dat is ingeschreven in de Nederlandse registers. Het Belgische kasteel voldoet hieraan niet, omdat deze registers slechts zien op in Nederland gelegen monumentenpanden. Op basis van de wettekst heeft de Inspecteur gelijk. De vraag is echter of de beperking van de regeling tot in Nederland gelegen cultureel erfgoed in strijd is met Europees recht, in het bijzonder met de vrijheid van vestiging.

In navolging van de A-G beantwoordt het HvJ bovenstaande vraag ontkennend. Op basis van het arrest van het HvJ heeft de Nederlandse Inspecteur de aftrek van € 18.140 dus terecht geweigerd. Wij gaan ervan uit dat de Hoge Raad in zijn eindarrest niet anders zal oordelen.

Opvallend is dat de argumentatie van het HvJ en de A-G toch van elkaar verschillen. In tegenstelling tot de A-G acht het HvJ de situatie van een inwoner van Nederland met een in Nederland gelegen monument en de situatie van een inwoner van België die Nederlands inkomen geniet met een in België gelegen monument, gelet op het doel en de inhoud van de betrokken regeling, niet objectief vergelijkbaar.

Hierdoor is naar het oordeel van het HvJ van een discriminatie geen sprake en komt het HvJ, anders dan de A-G, niet toe aan de vraag of deze discriminatie objectief gerechtvaardigd en proportioneel is (wat volgens de A-G het geval is).

Op basis van het arrest van het HvJ is het Nederland toegestaan de toepassing van een fiscale faciliteit te beperken tot in Nederland gelegen cultureel erfgoed. Of en in hoeverre dit Nederland en andere lidstaten de mogelijkheid biedt ook andere fiscale faciliteiten te beperken tot louter nationale toepassing, zal de toekomst moeten uitwijzen.


Mark Bos en Mark Foesenek

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig

Nieuwe digitale platform van KPMG

KPMG International heeft een state of the art digitaal platform ontwikkeld dat uw digitale ervaring verbetert en het vinden van nieuwe en relevante content optimaliseert.

 
Lees meer