Rulingdienst verandert het geweer van schouder | KPMG | BE

Interne meerwaarden: rulingdienst verandert het geweer van schouder

Rulingdienst verandert het geweer van schouder

Er is sprake van ‘interne meerwaarden’ wanneer een natuurlijke persoon de aandelen van een vennootschap waarin hij een belang heeft, inbrengt in zijn eigen (al dan niet nieuw opgerichte) holding tegen uitgifte van nieuwe aandelen.

1000

Contact

Gerelateerde content

Indien dergelijke inbreng echter kadert binnen het normaal beheer van het privévermogen en geen speculatieve kenmerken vertoont, is de meerwaarde in principe vrijgesteld van belasting. Er moeten dan echter wel voldoende niet-fiscale motieven voorhanden te zijn. We denken bijvoorbeeld aan de centralisatie van verschillende vennootschappen onder één holding, de aanvullende investeringspolitiek binnen de groep, de opmaak van een uniforme regeling voor de overdracht van de aandelen van de groep aan de volgende generatie, enzovoort. 

Het kapitaal dat op deze manier wordt gecreëerd, kan in een latere fase - door middel van een kapitaalvermindering - terugvloeien naar de natuurlijke persoon-aandeelhouder. Dergelijke kapitaalvermindering is niet onderworpen aan roerende voorheffing.

Tot voor kort verplichtte de rulingdienst de belastingplichtige om gedurende een periode van minimum drie jaar na de inbreng een aantal engagementen na te komen. Zo mocht de holding bijvoorbeeld drie jaar lang geen kapitaalvermindering doorvoeren. Bovendien kon de tot dan gevoerde politiek op het vlak van dividenduitkering, management- of bestuursvergoeding niet wijzigen (lees: geen verhoging van de uitkeringen). Hogere uitkeringen mochten enkel aangewend worden voor nieuwe investeringen in de groep.

De rulingdienst koppelde de onbelastbaarheid van interne meerwaarden met andere woorden aan dergelijke engagementen.

Gewijzigd advies rulingdienst

In een nieuw advies van 28 november 2013 verandert de rulingdienst het geweer van schouder: de hiervoor vermelde engagementen zijn nu niet essentieel meer en moeten niet langer worden opgenomen in een rulingaanvraag. Wel focust de dienst zich voortaan op de (niet-fiscale) motivering die aan de basis ligt van de inbrengverrichting. Bij een latere kapitaalvermindering zal de rulingdienst de motieven voor de inbreng van aandelen, die toen tot een gunstige voorafgaande beslissing hebben geleid, toetsen aan de effectieve realisatie op het ogenblik van de kapitaalvermindering.

Indien bijvoorbeeld de inbreng werd gemotiveerd op grond van een opvolgingsregeling, dan zal men de status van uitvoering bekijken. Dan wordt bekeken of de aandelen al werden overgedragen en of er al werd voorzien in een opvolgende bestuursregeling. Indien de inbreng werd gemotiveerd om de holding als financieringsvennootschap te laten fungeren, dan zal de rulingdienst de verwerving van participaties en investeringen onder de loep nemen. 

Bij deze beoordeling wordt tevens gekeken naar de motieven van de belastingplichtige voor het behoud van de “overtollige liquiditeiten” die op het ogenblik van de inbreng in de vennootschap aanwezig waren. De inbreng van de aandelen in de holding mag immers niet tot doel hebben de overtollige liquiditeiten belastingvrij uit te keren. De rulingdienst preciseert in haar advies dat de term “overtollige liquiditeiten” ruim moet worden opgevat en dat dit zelfs over overtollig vastgoed kan gaan. Bij de beoordeling zal de rulingdienst rekening houden met het verantwoord bedrag van de te behouden overtollige liquiditeiten, de bedrijfspolitiek (zijn er investeringen gepland?), de bedrijfseconomische context en de behoefte aan liquiditeiten die nodig zijn voor de normale werking van de vennootschap.

Door deze nieuwe benadering van de rulingdienst zullen de fiscale gevolgen van een latere kapitaalvermindering beoordeeld zullen worden in het licht van de nieuwe fiscale misbruikbepaling van artikel 344 §1 W.I.B. Daarbij wordt gekeken in welke mate de bij de inbreng ingeroepen motieven effectief verwezenlijkt zijn.

Nieuwe rulingaanvraag vereist?

De rulingdienst stelt duidelijk dat een eerdere beslissing die de afwezigheid van abnormaal beheer of speculatief inzicht vaststelt, geen vrijgeleide is om later een belastingvrije kapitaalvermindering door te voeren. Tezelfdertijd roept het nieuwe advies van de rulingdienst ook veel vragen op. Bijvoorbeeld: hoe wordt de effectieve realisatie van de ingeroepen motieven precies beoordeeld? De meest pertinente vraag die zich opwerpt, is of men bij een kapitaalvermindering opnieuw een rulingaanvraag moet indienen.

Het staat in ieder geval vast dat de rulingaanvraag bij een inbrengverrichting een uitgebreide verantwoording moet bevatten van zowel de bestaande beleggingen en de toekomstige besteding van de overtollige liquiditeiten als de niet-fiscale motivering van de geplande inbrengverrichting. Het feit dat men drie jaar lang de aangegane engagementen respecteert, betekent niet automatisch meer dat de inbrengverrichting, gevolgd door de latere kapitaalvermindering, geen fiscaal nadelige gevolgen meer zou hebben.

Het is dus zeker raadzaam om samen met uw fiscale adviseur te bekijken in welke mate de motivering bij de inbreng van uw aandelen in een holding ondertussen is gerealiseerd.

© 2017 KPMG Central Services, een Belgisch Economisch Samenwerkingsverband (“ESV/GIE”) en lid van het KPMG netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn met KPMG International Cooperative (“KPMG International”), een Zwitserse entiteit.

Neem contact met ons op

 

Offerteaanvraag (RFP)

 

Bevestig